Praktische werkwijze LT-gereed

Praktische werkwijze

Praktische werkwijze op weg naar aardgasvrij wonen

LT-gereed als basis voor de gemeentelijke organisatie en het energiehuis

Een gezin voor een woning met zonnepanelen en een warmtepomp.

Voor wie is dit document?

Voor gemeenteambtenaren, programmaleiders, projectleiders en uitvoeringspartners die snel willen bepalen wat nodig is om woningen en wijken LT-gereed te maken. De tekst is ingericht als werkwijze: wat doe je, met wie, in welke volgorde en met welk resultaat?

Kernboodschap

Wacht niet op de perfecte warmteoplossing. Werk nu aan woningen, straten en wijken die comfortabel, gezond en betaalbaar met lage temperatuur kunnen worden verwarmd. Zo blijven verschillende routes open: een warmtenet, een collectieve warmteoplossing of een individuele warmtepomp.

Onderdeel

Inhoud in het kort

OnderdeelGebruik dit als je wilt weten...
Snel startenwat LT-gereed is, waarom het nodig is en wat de gemeente eerst moet doen.
Routekaart voor gemeentenhoe je van gebiedskeuze naar strategie, programma en uitvoering komt.
Fase 1 - Strategie makenwelke analyses, keuzes en partners nodig zijn voor een LT-gereed strategie.
Fase 2 - Uitvoeringsprogramma makenhoe je projecten, middelen, planning, communicatie en monitoring ordent.
Fase 3 - Uitvoeringsorganisatie inrichtenwelke functies, rollen en randvoorwaarden nodig zijn om een uitvoeringsorganisatie vorm te geven.
Fase 4 - Starten, leren en opschalenhoe je klein begint zonder de langjarige lijn kwijt te raken.
Gereedschapskistwelke instrumenten je inzet: vijf knoppen, GasvrijCheck, keukentafelgesprek en verwarmingstest.
Bijlagenwelke checklists, bewonersreis en voorbeeldwoningen per bouwperiode je kunt gebruiken in de uitvoering.
Onderdeel

Waarom deze werkwijze nodig is

De warmtetransitie vraagt om uitvoering, maar in de praktijk lopen veel gemeenten vast. De definitieve warmteoplossing is niet altijd duidelijk, collectieve warmte kent niet overal een robuuste businesscase en netcongestieHet elektriciteitsnet zit op piekmomenten vol, waardoor nieuwe of zwaardere aansluitingen niet altijd direct mogelijk zijn. Dit maakt grootschalige elektrificatie (zoals warmtepompen) lokaal soms lastig en vraagt afstemming met de netbeheerder. maakt grootschalige elektrificatie ingewikkelder. Tegelijkertijd haken bewoners af wanneer verduurzaming voelt als gedoe, financieel onzeker is of onvoldoende vertrouwen geeft in overheid, adviseurs en uitvoerders.

Illustratie: een bewoner vraagt om hulp, ondersteuning vliegt toe.

Daar komt bij dat energielasten stijgen en huishoudens kwetsbaarder worden voor schommelingen in energieprijzen. Voor gemeenten ontstaat daardoor een dubbele opgave: werken aan de lange termijn richting aardgasvrij én bewoners nu al helpen om woningen comfortabeler, gezonder en minder energiegevoelig te maken.

LT-gereed biedt hiervoor een praktisch handelingsperspectief. Gemeenten hoeven niet te wachten tot voor iedere wijk de definitieve warmteoplossing vaststaat. Door nu te werken aan een lagere warmtevraag, voldoende ventilatie, passend afgiftevermogen en goed gebruik van de woning, blijven meerdere routes open voor een collectief of individueel verwarmingssysteem. Daarmee wordt LT-gereed een no-regretMaatregelen die in (vrijwel) elk toekomstscenario verstandig zijn — of de wijk nu een warmtenet of individuele warmtepompen krijgt. Denk aan kierdichting, passende isolatie, goede ventilatie, voldoende afgiftevermogen en goed gebruik. stap in de warmtetransitie: een stap die zinvol blijft, ongeacht de warmteoplossing.

Gebaseerd op de praktijk

Deze werkwijze is ontwikkeld binnen het programma Sociale Innovatie in de Energietransitie 2 (SIE 2). Daarbij werkten bouwkundigen, bewonersbegeleiders en deskundigen op het gebied van lokale organisatie samen. Zij brachten jarenlange ervaring mee uit woningonderzoeken, keukentafelgesprekken en eerdere programma’s zoals SIE 1 en Slimme Stappen.

In de praktijk bleek dat gemeenten vaak nog geen definitieve keuze kunnen maken voor de toekomstige warmtevoorziening van een wijk. Daardoor komt de uitvoering moeilijk op gang. LT-gereed biedt een manier om toch te starten: woningen, straten en wijken worden voorbereid op verwarming met lage temperatuur, zonder nu al één definitieve warmteoplossing vast te leggen.

Binnen het onderdeel LT-gereed van SIE 2 is gewerkt aan:

  • het ontwikkelen van deze werkwijze, de LT-gereedtool en een workshop;
  • het begeleiden van gemeenten bij het maken van een uitvoeringsstrategie voor LT-gereed;
  • het verzamelen en gebruiken van data ter ondersteuning van strategie en uitvoering.

De stappen in deze werkwijze zijn samen met de deelnemende gemeenten toegepast, getest en aangescherpt.

Binnen SIE 2 is gewerkt met de GasvrijCheck.nl, een digitale LT-gereedtool waarmee bewoners en adviseurs de woning op vijf onderdelen kunnen verkennen.

Een realistische opgave

Bij het lezen van deze werkwijze kan de vraag opkomen of dit allemaal nodig is en of een gemeente dit wel kan organiseren. Dat is een reële reactie. Een LT-gereed aanpak vraagt tijd, professioneel vakmanschap en een lange adem. Niet alles hoeft morgen klaar te staan. Doe wat mogelijk is. Het hoeft niet meteen perfect te zijn. Wel is het belangrijk om van begin af aan de juiste dingen te doen: dicht bij de bewoners, onafhankelijk, structureel en langjarig. De ondersteuningsstructuur die nu wordt opgebouwd, moet vele jaren mee kunnen gaan.

Onderdeel

Snel starten

In één zin

LT-gereed betekent: een woning én haar bewoner zijn voorbereid op verwarmen met lage temperatuur, zodat later kan worden overgestapt op een warmtenet, collectieve oplossing of warmtepomp zonder ingrijpende extra stappen.

Wat is LT-gereed?

LT-gereed betekent dat een woning én haar bewoners zijn voorbereid op de overstap van een gasgestookte cv-installatie naar een duurzame warmteoplossing, zoals een warmtenet of een volledig elektrische warmtepomp.

De definitie bestaat uit twee gelijkwaardige onderdelen:

De woning

Een woning is LT-gereed als deze comfortabel kan worden verwarmd met een aanvoertemperatuur van maximaal 50 °C. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • de woning heeft een gezond, comfortabel en tochtvrij binnenklimaat;
  • er is voldoende ventilatie;
  • de warmte wordt gelijkmatig verdeeld;
  • de woning is technisch voorbereid op aardgasvrij verwarmen;
  • de warmtebron kan later worden gekozen of gewijzigd zonder ingrijpende aanpassingen.

De bewoners

De bewoners begrijpen hoe verwarmen op lage temperatuur werkt, weten welk gebruik daarbij past en zijn bereid de overstap naar een duurzame warmteoplossing te maken.

50 °C is het overstappunt, maar niet het einddoel

Als een woning comfortabel kan worden verwarmd met een aanvoertemperatuur van 50 °C, is de overstap naar duurzame warmte mogelijk. Een lagere temperatuur blijft wenselijk, omdat het systeem dan efficiënter werkt. Verdere optimalisatie kan plaatsvinden op natuurlijke momenten in de levensloop van de woning.

Niet elke woning hoeft in één keer volledig klaar te zijn voor all-electric. Voor woningen die nog een hogere aanvoertemperatuur nodig hebben, kan all-electric readyEen all-electric ready warmtepomp werkt samen met de bestaande cv-ketel: de warmtepomp doet het basiswerk, de ketel springt bij op de koudste dagen en voor warm tapwater. Zo is hij ook bruikbaar in woningen die nu nog 60–65 °C nodig hebben. Het verlaagt het gasverbruik direct met circa 60–70 % en is een legitieme tussenstap. Voor de overstap naar volledig all-electric of een warmtenet blijft 50 °C het richtpunt. (Bron: werkwijze V1.0) een tijdelijke tussenstap zijn. Zie bijlage G.

Waarom nu starten?

  • Veel gemeenten lopen vast op onzekere warmteoplossingen, netcongestie, beperkte capaciteit en bewoners die afhaken door gedoe, kosten en wantrouwen.
  • LT-gereed biedt handelingsperspectief zonder bewoners vast te zetten op één warmteoplossing.
  • Een lagere warmtevraag maakt woningen, straten en wijken comfortabeler, weerbaarder en minder gevoelig voor stijgende energielasten.
  • LT-gereed is ook netbewust. Een lagere warmtevraag en efficiënte installaties beperken de elektriciteitsvraag en de piekbelasting. Daarnaast ontstaat ruimte voor slim gebruik achter de meter, het verschuiven van verbruik en het benutten van de woning als tijdelijke warmtebuffer.
  • De aanpak sluit aan bij de praktijk: niet de perfecte norm staat centraal, maar wat redelijkerwijs kan in woning, wijk en huishouden.

Wat moet een gemeente als eerste doen?

StapActieOutput
1Kies één gebied om te starten: wijk, dorp of buurt.Startgebied met duidelijke afbakening.
2Maak een gedeeld gebiedsbeeld: woningen, bewoners, energiegebruik, netcongestie, soortenmanagementplan (SMPSoortenmanagementplan: een gebiedsplan voor beschermde diersoorten (zoals vleermuizen, huismus en gierzwaluw). Zonder SMP kan na-isolatie van gevels en daken vertragen of duurder worden, omdat per woning ecologisch onderzoek nodig kan zijn.), bestaande projecten en partners.Gebiedsanalyse op hoofdlijnen.
3Bepaal leidende principes: sociaal inclusief, betaalbaar, haalbaar, langjarig en onafhankelijk.Keuzekader voor prioritering.
4Richt minimaal een bondgenoot-functie in: één herkenbaar aanspreekpunt voor bewoners.Continuïteit in de bewonersreis.
5Start met één uitvoerbare actie, bijvoorbeeld lekchecks, basis-op-orde-aanpak of verwarmingstest.Eerste uitvoering en leerervaring.

Verdieping — open de bijbehorende bijlage

Bekijk Bijlage G — Instrumenten: tool, gesprek, test en nazorg
Onderdeel

Routekaart voor gemeenten

De werkwijze bestaat uit vier fasen. Doorloop ze niet als bureaucratische stappen, maar als werkritme: analyseren, kiezen, uitvoeren, leren en bijstellen. De fasen helpen om losse acties te verbinden tot een langjarige gebiedsgerichte aanpak.

FaseVraagBelangrijkste producten
Fase 1 - Strategie makenWat is in dit gebied idealiter nodig en welke keuzes zijn leidend?Gebiedsanalyse, ideaalbeeld, leidende principes, partnerbeeld, LT-gereed strategie.
Fase 2 - Uitvoeringsprogramma makenWelke projecten, middelen, planning en capaciteit zijn nodig?Programmacanvas, projectenportfolio, begroting, communicatieplan, monitoringsopzet.
Fase 3 - Uitvoeringsorganisatie inrichtenWie voert uit en hoe blijft de ondersteuning betrouwbaar en onafhankelijk?Energiehuis/backoffice, wijkteam, bondgenootfunctie, samenwerkingsafspraken, CRM/AVG-proces.
Fase 4 - Starten, leren en opschalenHoe starten we klein en bouwen we door?Leergebied, werkafspraken, feedbackritme, monitoring, opschalingsbesluit.

Werkprincipe

Begin niet met een compleet systeem op papier. Begin met voldoende structuur om verantwoord te starten. Gebruik uitvoering om te leren wat werkt in de lokale context.

Fase 1 — LT-gereed strategie maken

De strategie beschrijft wat je in een wijk, dorp of gebied wilt doen om woningen en buurten LT-gereed te maken. Zij verbindt data, lokale kennis, bewonersperspectief, bestuurlijke keuzes en uitvoeringskansen. De strategie is richtinggevend. Het is nog geen uitvoeringsprogramma.

Stap 1. Analyseer context en uitgangssituatie

Doel

Maak een gedeeld en realistisch beeld van het gebied: technisch, sociaal en organisatorisch.

OnderwerpKijk minimaal naar
Woningen en gebouwenBouwjaar, woningtype, eigendom, isolatiegraad, afgiftesysteem, meterkast en voorbeeldwoningen per bouwperiode.
Energie en infrastructuurGas- en elektraverbruik, energierekening, aansluitingen, netcongestie, vervangingsmomenten van gas- en elektriciteitsnet.
Soortenmanagementplan en natuurBeschikbaarheid van soortenmanagementplan en gevolgen voor isolatie, planning en kosten.
Bewoners en doelgroepenInkomen, energiearmoede, taal, leeftijd, eigendomssituatie, huur/koop, VvE, monumenten, gespikkeld bezitEen straat of complex waarin huur- en koopwoningen door elkaar staan (bijvoorbeeld deels corporatiebezit, deels particulier). Dat maakt een gezamenlijke, gelijktijdige aanpak ingewikkelder..
LeefwereldSociale structuren, sleutelfiguren, vertrouwen in overheid/keten, lopende initiatieven, lokale zorgen.
Gemeentelijke organisatieBestaande projecten, budgetten, capaciteit, beleid, bestuurlijke prioriteiten en interne afhankelijkheden.

Analyseer zowel de systeemwereld als de leefwereld. Combineer beschikbare data met praktijkkennis, een wijksafari en informele verkenning in de buurt. Zie bijlage D voor de onderwerpen, bronnen en werkwijze.

Illustratie: analyseren van de uitgangssituatie.

Output stap 1

Een compact gebiedsbeeld met: belangrijkste kansen, belangrijkste belemmeringen, prioritaire doelgroepen, bestaande projecten en eerste kansen voor uitvoering.

Praktijktoets: wijksafari

Data alleen zijn onvoldoende. Toets het gebiedsbeeld in de praktijk, bijvoorbeeld met een wijksafari met medewerkers van de gemeente, bouwkundige deskundigen en lokale partners. Kijk naar woningtypen, verschillen tussen subbuurten, zichtbare renovaties, sociale structuren en mogelijke clusters voor uitvoering.

Gebruik de voorbeeldwoningen per bouwperiode als geheugensteun. Ze helpen om sneller te herkennen welke bouwkundige en installatietechnische kenmerken in een straat of buurt waarschijnlijk een rol spelen, zoals dakopbouw, glas, kierdichting, ventilatie, radiatoren, leidingwerk en meterkast.

De voorbeeldwoningen zijn geen harde typologie. De feitelijke woning, eerdere verbouwingen, onderhoudsstaat en het gebruik door bewoners blijven altijd leidend.

Praktijkvoorbeeld: de wijk ziet er anders uit vanaf de fiets

Stap 2. Verken de ideale aanpak

Kijk eerst wat bewoners in dit gebied nodig hebben om stap voor stap verder te komen. Waar kunnen zij afhaken? Welke ondersteuning helpt hen om wel door te gaan? En wie blijft voor hen een herkenbaar en onafhankelijk aanspreekpunt?

Gebruik daarbij de uitgangspunten uit bijlage A. Werk vanuit de vraag van bewoners, bied ondersteuning dichtbij en zorg dat deze langjarig beschikbaar is. Combineer een basisaanbod voor alle bewoners met extra begeleiding voor groepen die dat nodig hebben.

Vergelijk vervolgens deze gewenste aanpak met wat er nu al is. Zo wordt duidelijk wat goed werkt, welke ondersteuning ontbreekt en wat de gemeente nog moet organiseren.

BouwsteenVraag
BewonersreisWaar vallen bewoners nu uit? Ontbreekt activatie, inzicht, basis-op-orde aanpak, financiering, uitvoering of monitoring?
BondgenootWie is het herkenbare, onafhankelijke aanspreekpunt voor bewoners?
AanbodWelke diensten en projecten bestaan al? Welke ontbreken?
DoelgroepenWelke groepen vragen maatwerk: VvE, MKB, huurders, kwetsbare huishoudens, monumenten, energiearmoede?
Community buildingWaar is zelforganisatie mogelijk en waar is juist professionele ondersteuning nodig?
SchaalniveauWat organiseer je wijkgericht en wat gemeentebreed of regionaal via een Energiehuis?

Output stap 2

Een helder beeld van de ondersteuning die in het gebied nodig is én van wat er al aanwezig is.

Bepaal per doelgroep welk niveau van begeleiding nodig is. Laat daarbij niet het bestaande aanbod of de huidige capaciteit leidend zijn, maar wat bewoners nodig hebben om daadwerkelijk een volgende stap te zetten.

Maak vervolgens duidelijk hoe de gemeente die ondersteuning dichtbij, onafhankelijk, structureel en voor langere tijd kan organiseren. De uitkomst is niet alleen een overzicht van bestaande projecten, maar ook een keuze voor het benodigde niveau van begeleiding, de benodigde capaciteit en de uitvoeringsstructuur.

Zie bijlage C voor het onderscheid tussen extensieve en intensieve begeleiding en de doelgroepen waarvoor professionele ondersteuning nodig is.

Stap 3. Bepaal koers en leidende principes

Gemeenten hebben beperkte capaciteit en middelen. Maak daarom expliciet welke waarden en keuzes richting geven aan de aanpak. Denk aan betaalbaarheid, rechtvaardigheid, haalbaarheid, onafhankelijkheid, tempo en mate van ontzorging.

Praktijkvoorbeeld: Ondersteuning vraagt om duidelijke keuzes

KeuzevraagVoorbeeld van uitwerking
Wie krijgt prioriteit?Huishoudens met hoge energielasten, woningen met groot besparingspotentieel, straten met veel bereidheid of gebieden waar infrastructuurplanning druk geeft.
Hoeveel ontzorging bieden we?Zelf doen, begeleid zelf doen, zelf laten doen of volledig ontzorgd via gemeentelijk/regionaal aanbod.
Hoe wegen we betaalbaarheid?Geen maatregelen adviseren die technisch goed zijn maar financieel of sociaal niet haalbaar zijn voor de bewoner.
Hoe gaan we om met onzekerheid?Altijd inzetten op no-regret: kierdichting, passende isolatie, ventilatie, afgiftevermogen en gedrag.

Output stap 3

Een kort keuzekader dat helpt om prioriteiten, doelgroepen, mate van ontzorging en tempo te bepalen.

Stap 4. Verken lokale organisatie en samenwerking

Breng in kaart wie in de wijk of gemeente vertrouwen heeft, uitvoeringskracht kan leveren en structureel onderdeel kan zijn van de bewonersreis.

PartijMogelijke rol
WoningcorporatieAfstemming over huurwoningen, gespikkeld bezit, planning onderhoud en wijkcommunicatie.
EnergiecoöperatieLokale kennis, vrijwilligers, bewonerscontact, energieadvies.
Sociaal domein en wijkteamsSignalering, toegang tot kwetsbare huishoudens, koppeling met bestaanszekerheid.
Werkbedrijf/klusdienstBasis-op-orde: kierdichting, kleine maatregelen, praktisch herstel.
VrijwilligersnetwerkenLaagdrempelig contact, buddy’s, dorpstafels, seniorenraden, voedselbanken.
Technische partnersLekcheck, keukentafelgesprek, isolatieadvies, installatie, inregeling.

Output stap 4

Een partnerkaart met rollen, belangen, bestaande samenwerkingen, ontbrekende schakels en afspraken voor vervolggesprekken.

Stap 5. Schrijf de LT-gereed strategie

Bundel de inzichten in een korte strategie die bestuurlijk en ambtelijk te begrijpen is. Houd het document compact; gebruik bijlagen voor data en verdieping. De strategie is de basis voor het uitvoeringsprogramma.

Hoofdstuk in strategieInhoud
1. GebiedsbeeldWat typeert wijk, dorp of gebied? Welke kansen en belemmeringen zijn bepalend?
2. Ambitie en leidende principesWat wil de gemeente bereiken en welke keuzes zijn richtinggevend?
3. Doelgroepen en prioriteitenVoor wie starten we, waarom en in welke volgorde?
4. Bewonersreis en aanbodWelke ondersteuning bestaat al en welke ontbreekt?
5. Organisatie en samenwerkingWelke rollen liggen lokaal, gemeentelijk en regionaal?
6. Eerste uitvoeringsagendaWelke acties worden voorbereid voor het uitvoeringsprogramma?

Checklist strategie

  • Gebiedsafbakening gekozen.
  • Analyse van woningen, energiegebruik, infrastructuur, netcongestie en soortenmanagementplan (SMP) afgerond.
  • Doelgroepen en sociale structuren in beeld.
  • Bestaande projecten en hiaten in de bewonersreis in kaart gebracht.
  • Leidende principes vastgesteld.
  • Partners en rollen verkend.
  • Eerste keuzes voor prioritering en startgebied gemaakt.
  • Bestuurlijke en ambtelijke route voor besluitvorming bepaald.

Fase 2 — Uitvoeringsprogramma maken

Het uitvoeringsprogramma vertaalt de strategie naar concrete projecten, planning, capaciteit en middelen. Het maakt zichtbaar welke activiteiten nodig zijn, voor welke doelgroepen, in welke volgorde en met welk beoogd resultaat.

De centrale vraag is: welke samenhangende projecten zijn nodig om bewoners van eerste contact tot uitvoering en nazorg te ondersteunen?

In deze fase worden ook de benodigde capaciteit, financiering, communicatie en monitoring uitgewerkt. De inrichting van de uitvoeringsorganisatie volgt in fase 3.

Zorg eerst voor draagvlak en mede-eigenaarschap

Alleen collega’s en afdelingen betrekken is niet genoeg. LT-gereed raakt meerdere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals duurzaamheid, wonen, sociaal domein, financiën, communicatie, juridische zaken, inkoop, groen en biodiversiteit, en data/ICT.

Deze aanpak kan alleen slagen als deze afdelingen mede-eigenaar worden en samen verantwoordelijkheid nemen voor de doelen, capaciteit, middelen en uitvoering.

Mede-eigenaarschap is vaak lastig te organiseren, omdat belangen, planningen en budgetten uiteenlopen. Maak deze verschillen en spanningen bespreekbaar en organiseer gezamenlijke besluitvorming, zowel bestuurlijk als binnen de ambtelijke organisatie.

  • Betrek duurzaamheid, wonen, sociaal domein, financiën, communicatie, juridische zaken, inkoop, groen/biodiversiteit en data/ICT.
  • Maak duidelijk dat LT-gereed een langjarige aanpak vraagt en geen tijdelijke campagne is.
  • Bespreek de benodigde capaciteit en middelen voordat projecten worden beloofd.
  • Leg bestuurlijk uit dat vertrouwen in de wijk langzaam wordt opgebouwd en snel verloren kan gaan.
  • Zorg dat de strategie niet alleen van het team duurzaamheid of energie is, maar van de hele organisatie.

Vijf spanningen bij het organiseren van LT-gereed

Bij het maken van een uitvoeringsprogramma krijgt de gemeente te maken met spanningen die niet vanzelf verdwijnen. Maak ze daarom expliciet en gebruik ze om keuzes te maken.

Bewoner centraal vs. beleidsdoelen De gemeente wil tempo maken en resultaten halen. Bewoners zoeken vooral vertrouwen, betaalbaarheid en comfort. Sluit beleidsdoelen daarom aan op de leefwereld van bewoners.

Kwaliteit vs. kwantiteit Beperkte middelen vragen om scherpe keuzes: welke doelgroepen en gebieden eerst, en welk niveau van ondersteuning past daarbij? Kleine, intensieve trajecten leveren waardevolle lessen op, maar moeten uiteindelijk schaalbaar worden.

Dicht bij de wijk vs. centrale regie Bewoners hebben behoefte aan herkenbare gezichten in de wijk. Tegelijk moet de gemeente centraal sturen op kwaliteit, prioriteiten, gegevens, planning en samenhang.

Tijdelijke middelen vs. langjarige opgave De opgave loopt tot 2050, terwijl financiering vaak tijdelijk is. Reken daarom terug vanuit het einddoel en bepaal welke capaciteit, middelen en afspraken structureel nodig zijn.

Zekerheid vooraf vs. leren door doen Niet alles is vooraf te voorspellen. Werk cyclisch: uitvoeren, evalueren en bijstellen. Gebruik monitoring om te zien wat werkt, hoeveel bewoners worden bereikt en waar mensen afhaken.

Bouw het uitvoeringsprogramma op

ProgrammaonderdeelMinimale uitwerking
DoelenWat moet op korte, middellange en lange termijn bereikt zijn? Maak doelen concreet per gebied en doelgroep.
ProjectenportfolioWelke projecten dekken de bewonersreis af? Denk aan activatie, inzicht, basis-op-orde, plan, financiering, uitvoering en monitoring.
DoelgroepenaanpakWelke aanpak is nodig voor VvE’s, huurders, kwetsbare huishoudens, monumenten, MKB of gespikkeld bezit?
OrganisatieWie doet wat? Wat doet de gemeente zelf, wat doet het Energiehuis, wat doen partners?
PlanningWaar starten we, wanneer schalen we op en welke natuurlijke momenten benutten we?
BegrotingWelke middelen zijn nodig voor personeel, communicatie, uitvoering, monitoring en partners?
CommunicatieWelke kernboodschappen, kanalen en momenten sluiten aan bij bewoners en doelgroepen?
MonitoringWelke gegevens volgen we om te leren, bij te sturen en bestuurlijk te rapporteren?
Risico’sWaar kan uitval ontstaan en welke beheersmaatregelen zijn nodig?

Werk langs drie parallelle sporen

SpoorDoelVoorbeelden
1. Generieke projectenAlle bewoners in beweging brengen en no-regret stappen mogelijk maken.GasvrijCheck, lekchecks, kierdichting, verwarmingstest, isolatie-informatie, financieringsspreekuur.
2. DoelgroepenaanpakVoorkomen dat groepen structureel achterblijven.VvE-begeleiding, huurdersaanpak, energiearmoede, monumenten, particuliere verhuur, MKB.
3. Community buildingVertrouwen, lokaal eigenaarschap en bereik vergroten.Wijkenergieteams, sleutelfiguren, bewonersavonden, straatambassadeurs, lokale initiatieven.

Let op bij community building

Community building is arbeidsintensief en gevoelig voor personele wisselingen. Start hier alleen mee als de gemeente langjarig aanwezig kan blijven. Anders is het beter om eerst spoor 1 en 2 goed te organiseren.

Checklist uitvoeringsprogramma

Controleer voor de start of:

  • de doelen per gebied en termijn duidelijk zijn;
  • de projecten samen de hele bewonersreis afdekken;
  • capaciteit en middelen realistisch zijn geraamd;
  • rollen en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd;
  • communicatie, monitoring en gegevensverwerking zijn ingericht;
  • risico’s en beheersmaatregelen zijn benoemd;
  • de bestuurlijke besluitvorming is voorbereid.

Praktijkvoorbeeld: Ineens denken ambtenaren aan hun eigen huis

Fase 3 — Richt de uitvoeringsorganisatie in

Bepaal in deze fase hoe je de dagelijkse uitvoering organiseert. Zorg dat bewoners weten waar ze terechtkunnen, wie contact met hen houdt en wie vervolgvragen oppakt.

Kies een organisatievorm die past bij de lokale situatie. Een Energiehuis met wijk- of dorpsteams kan goed werken, maar is geen vaste blauwdruk. Sluit aan bij wat er al is en vul aan wat nog ontbreekt.

Zorg in ieder geval voor een herkenbaar en onafhankelijk aanspreekpunt voor bewoners met technische en sociale ondersteuning. Zorg voor een backoffice voor administratie en gegevens en voer duidelijke regie op kwaliteit, voortgang en continuïteit.

Het schema hieronder laat zien hoe zo’n organisatie er op hoofdlijnen uit kan zien. Gebruik het als vertrekpunt en pas het aan de lokale schaal, bestaande organisaties en beschikbare partners aan.

LaagKernfunctieVoorbeelden van taken
Energiehuis / centrale ondersteuningRegie, backoffice en kwaliteitsborging.CRM, data, communicatie, contracten, opleiding, monitoring, inhoudelijke expertise, subsidiekennis.
Wijk- of dorpsteamHerkenbaar gezicht in het gebied.Activatie, intake, huisbezoek, koppeling met partners, signalering, opvolging.
Bondgenoot / duurzaamheidsmakelaarEén onafhankelijk aanspreekpunt voor de bewoner.Contact houden, bewonersreis bewaken, vragen beantwoorden, doorverwijzen, vertrouwen opbouwen.
Technische schilInzicht en uitvoering.Lekcheck, keukentafelgesprek, isolatieadvies, installatietechniek, inregelen.
Sociale schilBereik en ondersteuning van kwetsbare huishoudens.Wijkteam, formulierenbrigade, financieel advies, energiearmoede-aanpak.

Het Energiehuis als centrale ondersteuning

Een wijkgerichte aanpak vraagt om nabijheid bij bewoners én om professionele ondersteuning achter de schermen. Die centrale ondersteuning kan worden georganiseerd in een gemeentelijk of regionaal Energiehuis. Het Energiehuis ondersteunt wijk- en dorpsteams met kennis, communicatie, administratie, data, financiering, kwaliteitsbewaking en de inzet van specialistische adviseurs.

Niet alle kennis en functies hoeven in ieder wijkteam aanwezig te zijn. Specialistische ondersteuning voor bijvoorbeeld VvE’s, monumenten, kwetsbare huishoudens, ondernemers en complexe woningen kan centraal worden georganiseerd en beschikbaar worden gesteld wanneer dat nodig is. Zo blijft het lokale team herkenbaar en toegankelijk, terwijl het kan terugvallen op een professionele backoffice.

Het Energiehuis is geen vast organisatiemodel. De precieze vorm hangt af van de schaal van de gemeente, bestaande organisaties en regionale samenwerking. Belangrijk is vooral dat duidelijk is wie de bewonersreis bewaakt, wie specialistische ondersteuning levert en waar de verantwoordelijkheid ligt voor kwaliteit, continuïteit en samenhang.

Voorbeelden van rollen in het wijkenergieteam

RolWaarvoor inzetten?Aandachtspunt
Bondgenoot / duurzaamheidsmakelaarIntake, contact houden, route bewaken, bewoners verbinden met juiste hulp.Moet onafhankelijk, herkenbaar en bereikbaar zijn.
LekcheckerObjectief inzicht in kierdichting en warmteverlies, bijvoorbeeld met blowerdoortestEen meting waarbij met een ventilator in de voordeur een drukverschil wordt gemaakt, om te bepalen hoe luchtdicht de woning is en waar de grootste kieren en luchtlekken zitten. of lekcheck.Koppel meten altijd aan handelingsperspectief.
KlusdienstKleine maatregelen: tochtstrips, kierdichting, ramen/deuren stellen, eenvoudige isolatie.Vooral effectief bij huishoudens waar gedoe de grootste drempel is.
Energieadviseur / coachPlan voor de woning, volgorde van maatregelen, voorbereiding keukentafelgesprek.Advies moet onafhankelijk zijn en niet gestuurd door verkoopbelang.
Financieel adviseur / formulierenbrigadeSubsidies, leningen, betaalbaarheid, hulp bij aanvragen.Financiering is een belangrijk afhaakmoment; maak dit vroeg concreet.
Sociaal domein / wijkteamSignalering en koppeling met bredere hulpvragen.Energie is vaak niet de eerste zorg van bewoners.

Basisvoorwaarden voor de uitvoeringsorganisatie

Werk met vaste aanspreekpunten en maak duidelijke afspraken over taken, overdracht en opvolging. Leg contactmomenten, voortgang en vervolgstappen vast in een klant- of woningvolgsysteem.

Bepaal wie de technische, sociale en administratieve ondersteuning levert. Wijs ook aan wie de kwaliteit bewaakt, knelpunten oplost en zorgt dat de begeleiding doorgaat.

Maak vooraf voldoende mensen, middelen en deskundigheid vrij voor bewoners die extra ondersteuning nodig hebben. Zorg dat alle betrokken medewerkers en partners vanuit dezelfde uitgangspunten werken: wat LT-gereed betekent, hoe zij bewoners begeleiden en hoe zij afspraken opvolgen.

Leg financiering, contracten, verantwoordelijkheden, privacy en gegevensdeling formeel vast. Zie bijlage E voor de verdere uitwerking.

Controle uitvoeringsorganisatie

Voor de start is duidelijk:

  • waar bewoners terechtkunnen;
  • wie het vaste aanspreekpunt is;
  • wie technische, sociale en administratieve taken uitvoert;
  • hoe registratie en opvolging zijn geregeld;
  • wie de kwaliteit bewaakt;
  • hoe partners samenwerken en escaleren;
  • wie verantwoordelijk is voor continuïteit en regie.

Fase 4 — Starten, leren en opschalen

De uitvoeringsorganisatie hoeft niet eerst volledig op papier te zijn uitgewerkt. Het is vaak effectiever om in één of twee wijken of dorpen te beginnen en daar ervaring op te doen met processen, samenwerking en bewonersbegeleiding.

Maar ook in zo’n leergebied moet de basis op orde zijn. Denk aan persoonlijk contact met bewoners, goede opvolging, registratie, technische kwaliteit, sociale ondersteuning en vaste momenten om ervaringen te bespreken. Op basis van wat in de praktijk werkt, kan de aanpak vervolgens worden verbeterd en stap voor stap worden opgeschaald.

StapWerkwijze
1. Kies leergebiedSelecteer een gebied waar urgentie, kansen en partners aanwezig zijn. Maak de afbakening klein genoeg om te leren.
2. Start met concrete actieKies een actie die bewoners helpt en de organisatie laat oefenen: lekcheck, basis-op-orde, verwarmingstest of keukentafelgesprekken.
3. Leg werkafspraken vastWie neemt contact op? Wie registreert? Wie volgt op? Wie bewaakt kwaliteit?
4. Monitor eenvoudigVolg bereik, uitval, bewonerstevredenheid, maatregelen, kosten, doorlooptijd en signalen uit de wijk.
5. Bespreek maandelijks wat werktMaak feedback onderdeel van reguliere overleggen met interne en externe partners.
6. Besluit over opschalingSchaal pas op als rollen, processen, communicatie en financiering voldoende stabiel zijn.

Datagericht werken

Gebruik data om keuzes te onderbouwen, de voortgang te volgen en van de uitvoering te leren. Houd bijvoorbeeld bij hoeveel bewoners je bereikt, waar zij afhaken en welke resultaten de aanpak oplevert.

Binnen deze werkwijze hebben we datagericht werken nog niet volledig uitgewerkt. Begin daarom klein, leg alleen vast wat je echt nodig hebt en bouw dit later verder uit. Combineer open data met lokale kennis en ga zorgvuldig om met privacy.

Zie bijlage D voor een eerste uitwerking.

Voorbeelden van goede startacties

Een tochttrein of lekcheck geeft inzicht in kieren en warmteverlies en zorgt dat mensen in actie komen. Een verwarmingstest is een laagdrempelige winteractie om te ontdekken of woningen comfortabel blijven bij lage aanvoertemperatuur. Beide acties maken de LT-gereed aanpak concreet en zo doet de gemeente ervaring op met bewonerscontact, uitvoering en opvolging.

Meer uitleg over de tochttrein, lekcheck en verwarmingstest staat in bijlage G.

Van woning naar wijk

De LT-gereed werkwijze begint vaak bij de individuele woning, maar het doel is gebiedsgericht werken. Gemeenten moeten daarom patronen kunnen herkennen op straat-, buurt- en wijkniveau. Bouwperiode, woningtype, eigendomssituatie en bewonerssituatie bepalen samen welke aanpak passend is.

De voorbeeldwoningen per bouwperiode helpen om die stap van woning naar wijk te maken. Ze geven een eerste beeld van veelvoorkomende kenmerken en aandachtspunten, bijvoorbeeld rond dak, gevel, glas, ventilatie, afgiftesysteem en meterkast. Daarmee kunnen gemeenten woningen clusteren, wijksafari’s voorbereiden en gerichtere keuzes maken voor projecten en ondersteuning.

De indeling blijft een hulpmiddel. Zodra je praktisch aan de slag gaat, blijkt de standaardindeling naar bouwjaar en woningtype vaak te algemeen. Gebruik de voorbeeldwoningen daarom als startpunt voor analyse en gesprek, niet als definitieve diagnose.

Zo helpt de gebiedsanalyse om individuele woningvragen te vertalen naar keuzes voor projecten, inkoop en uitvoeringscapaciteit.

Meer hierover lees je in bijlage H.

Praktijkvoorbeeld: Anderhalf jaar later was het moment wel rijp

Verdieping — open de bijbehorende bijlage

Bekijk Bijlage A — Uitgangspunten van de aanpak
Bekijk Bijlage D — Data, wijksafari en dashboard
Bekijk Bijlage C — Extensieve en intensieve begeleiding
Bekijk Bijlage B — Bewonersreis en bondgenoot
Bekijk Bijlage E — Juridische, financiële en organisatorische borging
Bekijk Bijlage H — Voorbeeldwoningen per bouwperiode
Onderdeel

Gereedschapskist voor uitvoering

LT-gereed geeft bewoners en gemeenten een praktisch doel, ook als de uiteindelijke warmteoplossing nog niet vaststaat. Door woningen nu al geschikt te maken voor verwarming op lage temperatuur, blijven meerdere routes open en kunnen bewoners stap voor stap werken aan meer comfort, een lager energiegebruik en minder afhankelijkheid van aardgas. De instrumenten in dit hoofdstuk helpen om te bepalen wat daarvoor in een woning nodig is.

  • De vijf knoppen vormen de technische basis: kierdichting, isolatie, ventilatie, afgiftevermogen en gedrag en gebruik. Ze helpen om de woning als geheel te bekijken en niet direct vanuit één losse maatregel te redeneren.
  • GasvrijCheck.nl geeft een eerste beeld van de woning. De uitkomst kan worden gebruikt als startpunt voor het keukentafelgesprek. In dat gesprek komen de technische staat van de woning, het gebruik, de wensen van de bewoner, het comfort en de haalbaarheid samen.
  • De verwarmingstest helpt vervolgens om in de praktijk te toetsen of de woning bij een aanvoertemperatuur van 50 °C comfortabel warm blijft. Na uitvoering van maatregelen blijven goed inregelen, monitoren en waar nodig bijstellen belangrijk.

Welke instrumenten worden ingezet en in welke volgorde, hangt af van de woning en de situatie van de bewoner.

Bijlage F bevat de technische uitwerking van de vijf knoppen. Bijlage G beschrijft de toepassing van GasvrijCheck.nl, het keukentafelgesprek, de verwarmingstest en de nazorg.

Waarom bestaande normen niet genoeg zijn

Bestaande normen en kaders geven nuttige informatie, maar ze vertellen niet of een woning echt LT-gereed is. Het energielabel laat zien hoe energiezuinig een woning op papier is. Het zegt weinig over de vraag of radiatoren, convectoren of vloerverwarming bij 50 °C genoeg warmte afgeven. Ook het werkelijke gebruik van de woning en het gedrag van bewoners blijven grotendeels buiten beeld.

De Standaard voor woningisolatie en de streefwaarden per bouwdeel helpen om de kwaliteit van dak, gevel, vloer en glas te beoordelen. Maar goede isolatie alleen is niet genoeg. Ook kierdichting, ventilatie, afgiftevermogen, instellingen en gebruik bepalen of een woning comfortabel warm blijft.

Ook subsidievoorwaarden geven geen volledig beeld. Ze zeggen vooral welke maatregelen en doelgroepen voor ondersteuning in aanmerking komen.

Gebruik bestaande normen daarom als hulpmiddel, niet als eindtoets. Beoordeel altijd de woning, de installatie en het gebruik in samenhang.

De vijf knoppen van LT-gereed

De vijf knoppen om een woning LT-gereed te maken.

De vijf knoppen helpen om de woning als geheel te bekijken. LT-gereed is geen optelsom van losse maatregelen. De warmtevraag hangt samen met het warmteverlies van de woning, het vermogen van het verwarmingssysteem en de manier waarop bewoners de woning gebruiken.

De vijf knoppen:

KnopWaar gaat het om?Praktische check
1. KierdichtingBeperken van ongecontroleerd luchtverlies door naden, kieren en aansluitingen.Lekcheck, blowerdoortest, tochtklachten, visuele inspectie. Streef naar voldoende luchtdichtheid zonder ventilatie te vergeten.
2. IsolatieBeperken van warmteverlies via dak, vloer, gevel, ramen en kozijnen.Kijk naar bouwjaar, aanwezige maatregelen, Rc- en U-waarden waar bekend en wat realistisch is per bouwdeel.
3. VentilatieGezond binnenmilieu behouden na isolatie en kierdichting.Controleer systeemtype, werking, roosters, vervuiling en bewonersgedrag.
4. AfgiftevermogenRadiatoren, convectoren of vloerverwarming moeten genoeg warmte afgeven bij lage temperatuur.Rondje radiatoren, type en grootte beoordelen, verwarmingstest op 50 °C uitvoeren.
5. Gedrag en gebruikHoe de bewoner verwarmt, ventileert en comfort ervaart.Uitleg over constante temperatuur (ook ‘s nachts), radiatoren open, goed ventileren.

Beoordeel de knoppen altijd in samenhang. Een kamer die moeilijk warm wordt, kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van tocht, onvoldoende isolatie, een te kleine radiator, een verkeerde instelling of de manier waarop de verwarming wordt gebruikt.

Perfecte isolatie is niet altijd nodig om een woning LT-gereed te maken. Het gaat om een werkbare balans waarmee de woning gezond en comfortabel blijft en bij maximaal 50 °C voldoende kan worden verwarmd.

Bijlage F bevat de technische uitwerking van de vijf knoppen, met aandachtspunten, grenswaarden en tabellen.

Meten en onderbouwen

Begin met wat bewoners weten en met wat in de woning zichtbaar is. Gebruik metingen wanneer gegevens ontbreken of wanneer je een vermoeden wilt controleren.

Een meting heeft vooral waarde als de bewoner begrijpt wat de uitkomst betekent en wat hij of zij ermee kan doen. Vertaal technische begrippen daarom naar herkenbare gevolgen, zoals tocht, koudeval, vocht, comfort en energiegebruik.

Als exacte gegevens ontbreken, kun je voor een eerste beoordeling werken met standaardwaarden die passen bij het bouwjaar. Houd er rekening mee dat verbouwingen, onderhoud en eerder uitgevoerde maatregelen ervoor kunnen zorgen dat een woning afwijkt van deze standaard.

Bij complexe of onduidelijke situaties blijft aanvullend onderzoek door een deskundige nodig.

GasvrijCheck.nl: de LT-gereedtool

GasvrijCheck.nl is een digitaal hulpmiddel waarmee bewoners en adviseurs in enkele minuten een eerste beeld krijgen van de mate waarin een woning en haar gebruik LT-gereed zijn. De tool beoordeelt de situatie aan de hand van de vijf knoppen: kierdichting, isolatie, ventilatie, afgiftevermogen en gedrag en gebruik.

De uitkomst is geen individueel woningadvies en vervangt het keukentafelgesprek niet. De tool helpt om basisinformatie vooraf te verzamelen en zichtbaar te maken waar mogelijk nog actie nodig is.

GasvrijCheck.nl is ontwikkeld door adviesbureau PKW, samen met een team van ervaringsdeskundigen.

Een gemeente kan de tool ook gebruiken voor een lichte inventarisatie van een wijk of doelgroep. Daarvoor is expliciete toestemming van bewoners nodig voor het delen en verwerken van hun gegevens. Geaggregeerde uitkomsten kunnen helpen om veelvoorkomende knelpunten, doelgroepen en kansrijke vervolgacties zichtbaar te maken.

GebruikZo inzetten
Voor bewonersLaat bewoners de check invullen voor een keukentafelgesprek. De uitkomst maakt zichtbaar waar de woning staat en wat de eerste stap kan zijn.
Voor adviseursGebruik de uitkomst als startpunt. Corrigeer gegevens tijdens het gesprek als de bewoner weet welke maatregelen al zijn uitgevoerd.
Voor gemeentenGebruik de tool als lichte wijkinventarisatie, mits bewoners toestemming geven voor het delen van gegevens.
Voor monitoringKoppel de tool aan jaarlijkse winteracties, bijvoorbeeld de verwarmingstest.

Het keukentafelgesprek

Het keukentafelgesprek met de bewoner(s) is het hart van maatwerk. Het wordt gevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een onafhankelijke begeleider die dichtbij, herkenbaar en ook na het gesprek bereikbaar blijft. Het is geen verkoopgesprek en geen volledige technische inspectie. Het doel is om samen te bepalen welke vervolgstappen haalbaar en passend zijn.

OnderdeelWerkwijze
DoelInzicht krijgen in woning én bewoner en samen een haalbaar plan maken.
StartvraagWat heeft deze bewoner nodig om een volgende stap te kunnen zetten?
GespreksbasisGebruik de GasvrijCheck.nl, gegevens van de bewoner, visuele inspectie en eventueel een lekcheck of infraroodopnames.
Werk van grof naar fijnBegin met grote warmtelekken of haalbare eerste stappen. Detailadvies komt later.
Benut natuurlijke momentenDak, glas, radiator, verbouwing, verhuizing, schilderwerk, keuken/badkamer of installatiemoment.
Maak een routekaartNoteer wat nu kan, wat later kan en welke ondersteuning nodig is. De routekaart is richting, geen verplichting.

Bijlage G bevat de verdere uitwerking van het keukentafelgesprek.

Besteed ook aandacht aan zomercomfort

Een woning die warmte in de winter goed vasthoudt, kan in de zomer te warm worden. Bespreek daarom niet alleen verwarmen, maar ook hoe de woning tijdens warme perioden koel blijft.

Kijk eerst hoe warmte buiten kan worden gehouden. Denk aan:

  • buitenzonwering, screens, luiken of zonwerende beplanting;
  • het beperken van directe zoninstraling op ramen;
  • ’s avonds en ’s nachts ventileren wanneer de buitenlucht koeler is;
  • het gesloten houden van ramen en zonwering op hete momenten;
  • isolatiematerialen die niet alleen warmteverlies in de winter beperken, maar ook de opwarming in de zomer vertragen.

Biobased isolatiematerialen, zoals houtvezel, cellulose of vlas, kunnen door hun warmteopslag bijdragen aan het vertragen van zomerse opwarming. De toepasbaarheid hangt af van de constructie, beschikbare ruimte, vochtbelasting en brandveiligheid. Laat de materiaalkeuze daarom beoordelen in samenhang met de woning.

Actieve koeling, bijvoorbeeld met een airco of warmtepomp, komt pas in beeld wanneer maatregelen tegen zoninstraling en oververhitting onvoldoende helpen. Beoordeel daarbij ook het energiegebruik en de belasting van het elektriciteitsnet.

De uitkomst van het gesprek is geen standaardadvies, maar een route die past bij de woning, de bewoner en het gewenste comfort in zowel winter als zomer.

Verwarmingstest

De verwarmingstest laat bewoners zelf ervaren of hun woning comfortabel warm blijft bij lage aanvoertemperatuur. De test is laagdrempelig, concreet en geschikt als jaarlijkse collectieve winteractie.

VraagAntwoord
Hoe werkt het?De bewoner verlaagt tijdelijk de aanvoertemperatuur van de hr-ketel naar 50 °C en beoordeelt tijdens koude dagen of de woning comfortabel warm blijft.
Wanneer uitvoeren?Bij voorkeur in de winter, op dagen met een gemiddelde etmaaltemperatuur onder 5 °C.
Voor wie geschikt?Bewoners met een hr-ketel. Niet geschikt bij vr-ketel, stadsverwarming of bepaalde tweezoneregelingen.
TapwaterTapwater blijft minimaal 60 °C vanwege legionellapreventie. Leg uit dat ruimteverwarming en tapwater verschillende vragen zijn.
Als het luktDe woning is waarschijnlijk geschikt voor lage-temperatuurverwarming.
Als het niet luktKijk naar kierdichting, isolatie, afgiftesysteem, waterzijdig inregelen, radiatorventilatoren of LT-convectoren.

Voer de test uit onder omstandigheden die passen bij lage-temperatuurverwarming:

  • houd een constante temperatuur van 19 tot 20 °C aan.
  • zet radiatoren in het leefgebied open.
  • gebruik geen pulsverwarming.
  • ventileer via het ventilatiesysteem.
  • zorg dat meubels en gordijnen radiatoren niet blokkeren.

Na de uitvoering: inregelen, monitoren en finetunen

StapWat gebeurt er?
InregelenLaat stooklijn, radiatoren en waterstromen goed afstellen. Een te hoge aanvoertemperatuur verlaagt rendement; een te lage temperatuur geeft comfortklachten.
MonitorenControleer comfort, gelijkmatige warmte, energieverbruik en bewonerstevredenheid in de eerste maanden.
FinetunenPas stooklijn, thermostaatstanden, radiatorinstellingen of ventilatie aan op basis van ervaring.
LerenGebruik ervaringen voor betere communicatie, betere projectkeuzes en betere ondersteuning in volgende straten of wijken.

Verdieping — open de bijbehorende bijlage

Bekijk Bijlage F — De vijf knoppen in de praktijk
Bekijk Bijlage G — Instrumenten: tool, gesprek, test en nazorg
Onderdeel

Bijlagen voor gebruik in de praktijk

De bijlagen bevatten de inhoudelijke uitwerking uit de werkwijze LT-gereed. Ze zijn bedoeld als verdieping, opleidingsmateriaal en als praktische hulpmiddelen bij strategie, programma en uitvoering.

Bijlage A — Uitgangspunten van de aanpak

Een LT-gereed aanpak werkt alleen als techniek, bewonersreis en organisatie bij elkaar worden gehouden. De volgende uitgangspunten vormen het fundament.

UitgangspuntBetekenis voor de werkwijze
1. Werk vanuit de Bewonersreis (zie volgende bijlage)Ontwikkel voor elke doelgroep projecten en diensten langs alle fasen die bewoners in de praktijk doorlopen: activatie, inzicht, basis-op-orde, plan, financiering, uitvoering en monitoring. Zo voorkom je dat mensen tussen stappen of loketten uitvallen.
2. Zorg voor een bondgenootEen herkenbare, onafhankelijke begeleider bewaakt samenhang, bouwt vertrouwen op en voorkomt dat bewoners uitvallen tussen losse loketten.
3. Organiseer aanbod vanuit de vraagBegin bij inzicht en planvorming. Koppel maatregelen en uitvoerders aan de vraag die daaruit ontstaat, niet andersom.
4. Werk langs drie sporenCombineer generieke projecten, doelgroepenaanpak en community building.
5. Bouw langjarig opBewoners stappen niet allemaal tegelijk in. Natuurlijke momenten, woningverkoop en veranderende omstandigheden maken een langjarige aanwezigheid nodig.
6. Werk dicht bij de bewonerZorg voor een herkenbaar gezicht in wijk of dorp, ondersteund door centrale deskundigheid.
7. Zet Rijksmiddelen dienstbaar inGebruik budgetten voor armoedebestrijding en middelen als SPUK LAI (voor isolatie) en CDOKE (voor klimaat- en energiebeleid) niet alleen voor losse acties, maar ook om een lokale ondersteuningsstructuur op te bouwen.
8. Sluit aan bij lokale belemmeringenHoud rekening met netcongestie, meterkast/aansluitingen, soortenmanagementplan (SMP), natuurvriendelijk isoleren, eigendomssituatie en lokale draagkracht.

Praktijkvoorbeeld: Verschillende routes in Laarbeek

Verdieping — De 6 randvoorwaarden en 6 interventies aanvulling

Onderstaande randvoorwaarden en interventies komen uit het achterliggende materiaal bij de werkwijze. Ze maken expliciet wat een gemeente nodig heeft om regie te voeren en welke manieren van sturen passen bij een energietransitie als adaptieve gebiedsopgave (mede gebaseerd op het denkkader van de NSOB).

De 6 randvoorwaarden

  1. Lokale regie en eigenaarschap. Gemeenten moeten regie durven nemen — niet alles zelf doen, maar wel richting bepalen en knopen doorhakken. Zonder lokale regie ontstaat versnippering.
  2. Een integrale gebiedsaanpak. Geen losse projecten, maar samenhang tussen warmte, elektriciteit, gebouwde omgeving, mobiliteit, sociale structuren en publieke ruimte. Energie als onderdeel van een gebiedsopgave.
  3. Een functionerend energie-ecosysteem. Samenwerking tussen gemeente, netbeheerder, woningcorporaties, energiecoöperaties, bedrijven en bewoners — met gedeelde spelregels en een gezamenlijke leerhouding.
  4. Sterke sociale innovatie en intermediairs. Lokale procesbegeleiders, buurtcoaches, energiecoaches en opbouwwerk-achtige rollen die vertrouwen, continuïteit en collectief vermogen in wijken bouwen.
  5. Meerjarige, stabiele financiering. Geen projectsubsidies die elk jaar anders zijn; gemeenten, corporaties en coöperaties moeten op basis van zekerheid en langdurige middelen kunnen werken.
  6. Heldere rolverdeling en juridische kaders. Een duidelijke rol van gemeente, provincie, netbeheerder en lokale initiatieven, ingebed in de Energiewet (energiegemeenschappen), ACM-regels en eisen rond publiek belang.

De 6 interventies — manieren van sturen

  1. Sturen door randvoorwaarden en inrichting. Richt de omstandigheden zo in dat het natuurlijke proces in het gebied zijn gang kan gaan. Instrumenten: spelregels, randvoorwaarden, beleid, wet- en regelgeving en financiële prikkels.
  2. Projecten doen (doen in plaats van praten). Maak het concreet met echte pilots en projecten; leer in de praktijk in plaats van alleen plannen, en stel bij waar nodig.
  3. Loslaten. Geef ruimte aan lokaal initiatief en eigen energie; regel niet alles dicht, vertrouwen voorop. Veerkracht, vitaliteit en zelforganisatie zitten al in het lokale ecosysteem.
  4. Coalities smeden. Zoek actief naar verbindingen en samenwerkingen die passen bij de gewenste richting — en durf coalities die sterk verweven zijn met het bestaande te doorbreken.
  5. Sturen door bewustwording en normalisering. De transitie is niet alleen technisch maar ook een adaptieve opgave: ze vraagt verandering van mensen en gedrag. Bewustwording (inzicht) is een cruciale schakel.
  6. Sturen op samenhang. Voer regie op de verbinding tussen opgaven (warmte–elektra–ruimte–sociaal), partijen en tijdspaden. De interventies zijn vooral in samenhang effectief.

Verschillende mechanismen zijn samen nodig om beweging te krijgen: er moet maatschappelijke acceptatie zijn, de oplossing moet fysiek én financieel mogelijk zijn, en ze moet worden ondersteund door wet- en regelgeving. Zonder duidelijkheid ontstaat chaos.

Bijlage B — Bewonersreis en bondgenoot

De bewonersreis als cyclus: activeren, inzicht, basis op orde, plan, financiering, uitvoeren en monitoren.

De bewonersreis helpt om te voorkomen dat projecten losse acties blijven én dat mensen tussen de stappen uitvallen. Elke fase kent een eigen doel, ondersteuningsbehoefte en risico op uitval. De bondgenoot bewaakt de samenhang tussen de fasen, houdt contact en zorgt dat de bewoner bij een volgende stap terechtkan. Hij/zij hoeft niet alle expertise zelf te hebben, maar werkt in een team met technische, sociale en financiële kennis. Onafhankelijkheid is cruciaal: de bondgenoot begeleidt en verbindt, maar verkoopt niet.

FaseDoelWat de gemeente organiseertRol van de bondgenoot
1. ActivatieBewoner ziet een kans of probleem en weet dat ondersteuning beschikbaar is.Wijkcommunicatie, sleutelfiguren, laagdrempelige acties, herkenbaar aanspreekpunt.Laagdrempelig contact leggen en vertrouwen opbouwen.
2. InzichtBewoner begrijpt de staat van de woning en de grootste warmtelekken.GasvrijCheck, lekcheck, quickscan, visuele uitleg.Uitleg geven, vragen beantwoorden en vervolgstap bepalen.
3. Basis-op-ordeKleine maatregelen verlagen gedoe en geven direct effect.Klusdienst, kierdichting, tochtstrips, ramen/deuren stellen, eenvoudige besparing.Zorgen dat kleine maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd.
4. Plan voor de woningBewoner heeft een realistische routekaart.Keukentafelgesprek, maatwerkadvies, volgorde van maatregelen.Woning, wensen, budget en natuurlijke momenten verbinden.
5. FinancieringBewoner weet wat betaalbaar is en welke hulp beschikbaar is.Subsidie- en leningadvies, formulierenhulp, persoonlijk financieel overzicht.Financiële onzekerheid verminderen en doorverwijzen naar hulp.
6. UitvoeringMaatregelen worden uitgevoerd zonder dat de bewoner tussen partijen verdwijnt.Ontzorgingsaanbod, uitvoerders, kwaliteitsborging, contactpersoon.Contact houden en knelpunten helpen oplossen.
7. MonitoringBewoner ervaart effect en weet of vervolgstappen nodig zijn.Nazorg, inregeling, verbruiksvergelijking, bewonerstevredenheid.Ervaringen ophalen, finetunen en vervolgactie bespreken.

Lees meer over de bewonersreis naar aardgasvrij.

Praktijkvoorbeeld: Jaarronde straatacties in Vierlingsbeek-Groeningen

Bijlage C — Extensieve en intensieve begeleiding

Niet iedere bewoner of doelgroep heeft dezelfde ondersteuning nodig. Een effectieve LT-gereed aanpak maakt daarom onderscheid tussen extensieve en intensieve begeleiding.

Doelgroepen die niet zelfstandig vervolgstappen kunnen zetten, hebben professionele ondersteuning nodig: dichtbij, structureel en voor langere tijd. Dat vraagt voldoende capaciteit, vakmanschap, financiering en bestuurlijke continuïteit.

Zelforganisatie past vooral bij extensieve begeleiding. Bij doelgroepen die professionele ondersteuning nodig hebben, kunnen energiecoöperaties en vrijwilligers wel concrete taken uitvoeren, zoals een lekcheck of bewonerscontact, maar altijd binnen een professionele ondersteuningsstructuur.

Type begeleidingPast vooral bijVoorbeelden van ondersteuning
Extensieve begeleidingBewoners of groepen met voldoende kennis, middelen en handelingsruimte. Vaak gaat het om willers en kunners die met informatie, collectieve acties en beperkte begeleiding zelf vervolgstappen kunnen zetten.Informatie, collectieve acties, GasvrijCheck, verwarmingstest, lekcheck, verwijzing naar uitvoerders, ondersteuning via energiecoöperatie of bewonersinitiatief.
Intensieve begeleidingSociale en particuliere verhuur, Verenigingen van eigenaars (VvE’s), gespikkeld bezit (voormalige corporatiewoningen), rijwoningen met lage inkomens, MKB, maatschappelijk vastgoed, zorg en sport.Professionele ondersteuning die dichtbij, structureel en langjarig is georganiseerd. Denk aan een projectplan per doelgroep, hulp bij financiering en besluitvorming, koppeling met het sociaal domein, intensieve bewonersbegeleiding, vaste opvolging en een duidelijke rolverdeling met partners.

Praktijkvoorbeeld: Ruim 20 energiebuddy’s actief in drie dorpen

Bijlage D — Data, wijksafari en dashboard

Een LT-gereed strategie en uitvoeringsprogramma vragen om een gedeeld beeld van het gebied. Combineer openbare data, gemeentelijke gegevens en lokale praktijkkennis. Data geven richting, de wijksafari laat zien of dat beeld klopt in de straat en in de leefwereld van bewoners. Zo toets je de verzamelde data aan de praktijk.

Gebruik data niet alleen om een startgebied te kiezen. Volg er ook de uitvoering mee: wie wordt bereikt, waar vallen bewoners uit, welke ondersteuning is nodig en welke maatregelen worden uitgevoerd? Zo ondersteunt data zowel de strategie als het leren en bijsturen.

Breng de systeemwereld en leefwereld in beeld

Een goed gebiedsbeeld combineert gegevens uit de systeemwereld met kennis van de leefwereld. Gebruik daarvoor data van de gemeente, de netbeheerder en openbare bronnen, maar toets die altijd aan wat je in de wijk ziet en hoort.

Systeemwereld

De systeemwereld geeft inzicht in de technische en ruimtelijke uitgangssituatie. Breng het energieprofiel van de wijk in beeld, waaronder het elektriciteits- en gasverbruik en de gemiddelde energielasten. Kijk daarnaast naar de woningen en gebouwen: bouwjaar, woningtype, eigendom, isolatie, afgiftesysteem en elektriciteitsaansluiting. Onderzoek in hoeverre woningen al LT-gereed zijn en welke verduurzamingsplannen woningcorporaties hebben. Neem ook mee of er een soortenmanagementplan geldt, welke gevolgen dat heeft voor isolatiemaatregelen, hoe de huidige en verwachte netcongestie eruitziet en welke beperkingen er mogelijk zijn voor het verzwaren van aansluitingen. Tot slot is ook de staat en vervangingsplanning van het gas- en elektriciteitsnet relevant.

Leefwereld

De leefwereld laat zien wat bewoners nodig hebben en wat er in de wijk werkelijk speelt. Onderzoek welke doelgroepen er wonen en welke ondersteuning bij hen past. Kijk daarbij naar inkomen, energiearmoede, taal, opleiding, leeftijd en eigendomssituatie. Breng ook formele en informele sociale structuren in beeld, zoals verenigingen, bewonersgroepen, lokale initiatieven en sleutelfiguren. Verken daarnaast welke andere onderwerpen bewoners bezighouden. Energie staat vaak niet bovenaan hun prioriteitenlijst, maar kan wel samenhangen met zorgen over wonen, gezondheid, betaalbaarheid en leefbaarheid.

Scharrelen in de buurt

Deskresearch laat niet alles zien. Ga daarom zonder vast programma de buurt in: loop of fiets rond, bezoek ontmoetingsplekken en voer informele gesprekken. Zo ontdek je wat er werkelijk speelt en wie de ‘verborgen krachten’ in de buurt zijn: actieve bewoners, informele leiders, ondernemers en organisaties die veel vertrouwen genieten, maar niet altijd in gemeentelijke overzichten staan.

Deze verkenning helpt om aannames te toetsen, verborgen problemen te herkennen en aan te sluiten bij bestaande netwerken en initiatieven.

DatabronGebruikAandachtspunt
BAG/PDOKBouwjaar, oppervlak, gebruiksdoel, clustering van woningtypen.Gebruik als eerste ordening, niet als volledige diagnose.
CBS wijk- en buurtgegevensDemografie, huishoudens, woningen en sociaal profiel.Combineer met lokale kennis en wijkteams.
CBS Monitor EnergiearmoedePrioritering van kwetsbare buurten en doelgroepen.Gebruik zorgvuldig; cijfers zijn gebiedsniveau, geen individuele diagnose.
NetbeheerderGas- en elektraverbruik, aansluittypen, slimme meters, netcongestie en assets.Stem tijdig af over data, planning en beperkingen in aansluitingen.
RVO/ISDEWaar zijn al isolatie, warmtepompen of zonneboilers aangevraagd?Geeft zicht op willers/kunners en bestaande activiteit.
Gemeentelijke dataEigendom, onderhoudsplanning, energietoeslag, lopende projecten, contacthistorie.Gebruik alleen binnen AVG-kaders en in een beveiligde gegevensomgeving van de gemeente.
WijksafariPraktijktoets op woningtypen, subbuurten, zichtbare renovaties, sociale structuren en uitvoeringskansen.Altijd combineren met data; betrek bouwkundige en lokale kennis.

Minimale dataset voor gebiedsanalyse

Niet alle gegevens hoeven vooraf volledig beschikbaar te zijn. Onderstaande gegevens vormen een bruikbare basis om een gebied te kiezen, doelgroepen te herkennen en een eerste uitvoeringsaanpak te maken.

ThemaMinimale gegevensWaarvoor gebruiken?
Gebied en gebouwenAdres, bouwjaar, woningtype, gebruiksoppervlak, gebruiksfunctie en eigendomstype.Woningtypen clusteren, voorbeeldwoningen kiezen en schaal van de opgave bepalen.
Technische kenmerkenBekende isolatiemaatregelen, energielabel, warmtevoorziening, afgiftesysteem en waar beschikbaar aansluiting of meterkast.Eerste inschatting van kansen, knelpunten en passende acties.
Energie en infrastructuurGas- en elektriciteitsgebruik op passend aggregatieniveau, netcongestie, type aansluiting en geplande werkzaamheden aan infrastructuur.Gebieden prioriteren en maatregelen afstemmen op de mogelijkheden van het net.
Bewoners en doelgroepenHuishoudenssamenstelling, inkomen of energiearmoede op gebiedsniveau, huur of koop, VvE’s, leeftijd en relevante sociale kenmerken.Bepalen welke vorm en intensiteit van begeleiding nodig is.
Bestaande activiteitLopende projecten, subsidies, eerdere woningmaatregelen, actieve bewonersinitiatieven en lokale partners.Aansluiten bij wat er al gebeurt en dubbel werk voorkomen.
Uitvoering en voortgangBereik, deelname, uitval, doorlooptijd, vervolgacties, uitgevoerde maatregelen en bewonerssignalen.Leren, bijsturen en bestuurlijk rapporteren.

Gebruik persoonsgegevens alleen wanneer dat noodzakelijk en juridisch toegestaan is. Werk voor analyse en rapportage zoveel mogelijk met geaggregeerde gegevens. Leg vooraf vast wie gegevens beheert, wie toegang heeft en met welk doel ze worden gebruikt.

Dashboard voor uitvoering en leren

Een eenvoudig dashboard helpt om te volgen of de aanpak werkt, waar bewoners vastlopen en waar bijsturing nodig is. Het kan minimaal laten zien:

  • hoeveel bewoners zijn bereikt en deelnemen;
  • in welke fase van de bewonersreis zij zich bevinden;
  • waar uitval ontstaat;
  • welke ondersteuning is ingezet;
  • welke maatregelen zijn uitgevoerd;
  • wat doorlooptijd en kosten zijn;
  • welke signalen terugkomen uit woningen en buurten.

Het dashboard is geen doel op zich. Het helpt om te zien waar de aanpak werkt, waar bewoners vastlopen en waar extra capaciteit of een andere werkwijze nodig is.

Praktijkvoorbeeld: Wat een wijksafari zichtbaar maakt

Foto gemaakt tijdens een wijksafari in de Bundersbuurten. Dit is een terugkerend beeld in wijken met airco’s en warmtepompen aan gevels en op daken.

Bijlage E — Juridische, financiële en organisatorische borging

Deze bijlage gaat over de formele basis onder de uitvoeringsorganisatie. Waar fase 3 beschrijft hoe de dagelijkse uitvoering werkt, gaat deze bijlage over de afspraken die nodig zijn om die uitvoering betrouwbaar en langdurig mogelijk te maken.

Het gaat onder meer om:

  • verantwoordelijkheden van gemeente en partners;
  • contracten, subsidiebeschikkingen en samenwerkingsovereenkomsten;
  • meerjarige financiering;
  • kwaliteitscriteria en rapportage;
  • privacy, gegevensdeling en beveiliging;
  • afspraken over continuïteit, geschillen en beëindiging.

Zonder deze borging blijft de aanpak afhankelijk van tijdelijke subsidies, individuele medewerkers en losse projecten. Bewoners kunnen alleen op de ondersteuning vertrouwen als rollen, financiering en kwaliteit voor langere tijd zijn vastgelegd.

Formele samenwerking met partners

PartnerMogelijke afspraken
Energiehuis of regionaal energieloketRol, taken, bereikbaarheid, rapportage, kwaliteitsborging en data-afspraken.
Lokale energiecoöperatiesBewonerscontact, vrijwilligersinzet, adviesrol, doorverwijzing en samenwerking met wijkteams.
WoningcorporatiesPlanning onderhoud, aanpak huurwoningen, gespikkeld bezit, bewonerscommunicatie en gegevensdeling.
Technische partnersLekchecks, energieadvies, keukentafelgesprekken, uitvoering, inregeling en kwaliteitscriteria.
Sociaal domein en wijkteamsSignalering, doorverwijzing, ondersteuning van kwetsbare huishoudens en koppeling met bestaanszekerheid.

Maak duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is, hoe wordt gerapporteerd, welke kwaliteitscriteria gelden, welke financiële afspraken zijn gemaakt en hoe partijen omgaan met geschillen.

Meerjarige financiering

Een stabiele uitvoeringsorganisatie vraagt om meerjarige financiële zekerheid. Neem structurele kosten op in de reguliere begrotingscyclus: personele inzet, communicatie, monitoring, administratie, opleiding, databeheer en partnerinzet. Incidentele middelen kunnen helpen om te starten, maar zijn onvoldoende om een langjarige aanpak te dragen.

Backoffice en systemen

  • Financiële administratie en processen.
  • Contractbeheer.
  • Klant- of woningvolgsysteem.
  • Datakoppelingen met partners.
  • Privacy- en beveiligingsafspraken.
  • Duidelijke werkafspraken en rolverdeling.

Praktijkvoorbeeld: Financiële stress en taart

Bijlage F — De vijf knoppen in de praktijk

De vijf knoppen om een woning LT-gereed te maken: kierdichting, isolatie, ventilatie, installaties en gedrag & gebruik.

Deze bijlage helpt iedereen die met bewoners, woningen en uitvoering werkt om de vijf knoppen op dezelfde manier te begrijpen. De knoppen vormen geen losse checklist: samen bepalen ze of een woning gezond en comfortabel op lage temperatuur kan worden verwarmd.

KnopWaarom belangrijk?Hoe toetsen?Veelvoorkomende aandachtspunten
KierdichtingOngecontroleerde luchtstromen veroorzaken warmteverlies en tocht.Blowerdoortest, lekcheck, visuele inspectie, tochtklachten.Dicht kieren zonder ventilatie te blokkeren. Dak, gevel, kozijnen, draaiende delen en onverwarmde ruimten zijn vaak kritisch.
IsolatieBeperkt warmteverlies via dak, vloer, gevel en glas.Bouwjaar, eerdere maatregelen, Rc-waarden, U-waarden, visuele inspectie.Niet altijd is maximale isolatie nodig. Kijk naar haalbaarheid, natuurlijke momenten en effectiviteit.
VentilatieGezond binnenmilieu blijft nodig na isolatie en kierdichting.Systeemtype, werking, roosters, vervuiling, gedrag.Ventilatie staat vaak uit of werkt onvoldoende. Leg uit dat isoleren en ventileren samen horen.
AfgiftevermogenRadiatoren, convectoren of vloerverwarming moeten genoeg warmte leveren bij lage temperatuur.Rondje radiatoren, type/grootte, verwarmingstest, waterzijdig inregelen.Soms zijn radiatorventilatoren, LT-convectoren of grotere afgifte nodig.
Gedrag en gebruikLage temperatuur vraagt ander verwarmingsgedrag.Gesprek, uitleg, monitoring, ervaringen na verwarmingstest.Geen pulsverwarming, radiatoren open, constante temperatuur, goed ventileren.

Praktische toepassing van de vijf knoppen

Gebruik de vijf knoppen als vaste leidraad tijdens een woningbezoek of keukentafelgesprek. Bekijk eerst de woning als geheel en bepaal daarna welke maatregelen nodig en haalbaar zijn.

De meest logische stap kan klein zijn, zoals kieren dichten, de radiatoren goed inregelen, ventilatieroosters schoonmaken en uitleg geven over het gebruik van de thermostaat.

Andere woningen vragen om grotere maatregelen, zoals extra isolatie, nieuwe radiatoren of aanpassing van het ventilatiesysteem.

Je kunt de vijf knoppen ook gebruiken op straat-, buurt- en wijkniveau. Komen bij meerdere woningen dezelfde problemen terug, dan kan de gemeente of uitvoeringsorganisatie een collectieve actie, gezamenlijke inkoop of extra begeleiding organiseren.

De voorbeelden hieronder bieden houvast voor een eerste gesprek en inspectie. Laat complexe situaties altijd beoordelen door een deskundige.

Knop 1 – Kierdichting

Kierdichting voorkomt ongewenste luchtstromen door naden en aansluitingen in de gebouwschil. Denk aan kieren rond ramen en deuren en aan de overgangen tussen vloer, gevel en dak.

Deze luchtstromen veroorzaken tocht en onnodig warmteverlies. Dicht daarom ongewenste kieren, maar sluit ventilatievoorzieningen niet af. Een woning heeft gecontroleerde ventilatie nodig voor een gezond binnenklimaat.

Luchtdichtheid meten

Met een blowerdoortest meet je hoeveel lucht een woning onbedoeld doorlaat. De uitkomst wordt vaak uitgedrukt in ACH50, ook wel n50 genoemd. Deze waarde geeft aan hoe vaak het totale luchtvolume in de woning per uur wordt ververst bij een drukverschil van 50 pascal.

Een lage waarde betekent dat de woning relatief luchtdicht is. Een waarde van 5 of hoger wijst op duidelijke kierverliezen. Voor een woning die klaar is voor verwarming op lage temperatuur geldt een waarde van maximaal 5 als een bruikbare streefwaarde.

Meten maakt de verliezen zichtbaar. Dat helpt bewoners om te begrijpen waar de tocht vandaan komt en welke maatregelen effect hebben.

Controleer in ieder geval:

  • de aansluiting van een hellend dak op de gevel;
  • tochtstrips bij ramen en deuren;
  • aansluitingen rond kozijnen;
  • leidingdoorvoeren;
  • open verbindingen met onverwarmde ruimten.

Beoordeling van kierdichting

BeoordelingACH50Status in de toolAdvies
Veel tocht12 of hogerActie nodigPak tochtstrips en andere kieren met voorrang aan
Gemiddeld5–10Controle nodigSpoor de grootste luchtlekken op en dicht deze
Goed3–5KlaarGeen directe maatregel nodig
Uitstekend3 of lagerKlaarGeen maatregel nodig

Knop 2 – Isolatie

Isolatie beperkt het warmteverlies via het dak, de vloer, de gevel, de ramen en de kozijnen.

Voor daken, vloeren en gevels drukken we de isolatiewaarde uit in een Rc-waarde. Voor glas gebruiken we de U-waarde. Een hogere Rc-waarde betekent een betere isolatie. Bij de U-waarde geldt het omgekeerde: hoe lager de waarde, hoe beter het glas isoleert.

Niet iedere woning hoeft hetzelfde isolatieniveau te bereiken. Kijk naar:

  • het bouwjaar;
  • het woningtype;
  • de bestaande constructie;
  • de technische mogelijkheden;
  • het samenspel met de andere vier knoppen.

De LT-gereedtool kwalificeert de isolatie per bouwdeel als slecht, matig, redelijk, goed of zeer goed. Deze beoordeling bepaalt of een maatregel nodig of wenselijk is. Daarbij gebruikt de tool onder meer de richtlijnen van Milieu Centraal en de bouwjaarklassen uit de NTA 8800 en ISSO 82.1. Gebruik de tabellen als ondersteuning bij het gesprek. De technische uitgangspunten en grenswaarden staan verderop in deze bijlage.

Kent de bewoner de isolatiewaarde niet, dan kan de adviseur deze voorlopig afleiden uit het bouwjaar volgens de NTA 8800. Controle ter plaatse blijft belangrijk, omdat bewoners hun woning later kunnen hebben aangepast.

Toelichting bij de tabellen

De tabellen in deze bijlage groeperen bouwjaren in vier of vijf brede perioden. De GasvrijCheck.nl-tool gebruikt intern de fijnere indeling uit ISSO 82.1, tabel 8.10, met zeven bouwjaarklassen.

Gebruik de tabellen daarom als ondersteuning bij het gesprek. Voor een individueel advies is de tool leidend.

Uitgangspunt voor de beoordeling

Een woning die na 1992 volgens de toen geldende eisen is gebouwd, heeft doorgaans een isolatiewaarde van ongeveer Rc 2,5. Binnen deze werkwijze geldt dat als een redelijk uitgangsniveau.

Voor vloeren geldt een andere afweging. Een vloer grenst meestal niet direct aan de buitenlucht en verliest daardoor minder warmte dan een gevel of dak. Ligt de vloer direct op de grond en is er geen kruipruimte, dan hoeft vloerisolatie geen voorwaarde te zijn voor LT-gereed.

Een ongeïsoleerde vloer kan wel koud aanvoelen en energie verliezen. Isoleer daarom bij voorkeur op een natuurlijk moment, zeker wanneer de bewoner vloerverwarming aanlegt.

Gevels

Controleer bij gemetselde gevels of de woning een spouw heeft. Een spouw is de ruimte tussen de binnen- en buitenmuur. Bij veel woningen is deze ongeveer vijf centimeter breed.

Een nageïsoleerde spouw van circa vijf centimeter kan voldoende zijn voor LT-gereed. Controleer wel of de isolatie goed en volledig is aangebracht en of er geen vochtproblemen zijn.

Glas

Het glastype kun je meestal ter plaatse herkennen. Maak in ieder geval onderscheid tussen:

  • enkel glas;
  • gewoon dubbel glas;
  • HR-glas;
  • HR++-glas;
  • triple glas;
  • bestaand glas met een voorzetraam.

HR-glas heeft vaak een U-waarde van ongeveer 2,0 W/m²K. Een combinatie van bestaand glas en een voorzetraam komt meestal uit op ongeveer 1,8 tot 2,2 W/m²K.

Deze oplossingen presteren beter dan gewoon dubbel glas. Bij monumenten en woningen waarin HR++-glas niet mogelijk is, kunnen zij het maximaal haalbare zijn. Binnen de beoordeling voor LT-gereed gelden ze doorgaans als matig tot redelijk. Ze kunnen volstaan wanneer de andere knoppen goed op orde zijn.

Streef dus niet automatisch naar het technisch hoogst haalbare niveau. Kies maatregelen die realistisch zijn en passen bij de woning. Een woning hoeft niet perfect geïsoleerd te zijn om klaar te zijn voor verwarming op lage temperatuur. Het gaat om het samenspel van alle vijf knoppen.

Knop 3 – Ventilatie

Goede ventilatie houdt de lucht in huis gezond en voert vocht af. Wanneer bewoners hun woning beter isoleren en kieren dichten, neemt de ongecontroleerde luchttoevoer af. Zonder goede ventilatie kunnen dan vochtproblemen en een slechte luchtkwaliteit ontstaan.

Beoordeel ventilatie daarom altijd samen met isolatie en kierdichting.

Voor LT-gereed geldt een CO₂- of vochtgestuurde mechanische afzuiging met winddrukgeregelde toevoerroosters als een passend basisniveau. Balansventilatie met warmteterugwinning is energiezuiniger, maar laat zich in bestaande woningen niet altijd eenvoudig aanbrengen.

Controleer tijdens het woningbezoek:

  • welk ventilatiesysteem aanwezig is;
  • of het systeem werkt;
  • of roosters open en schoon zijn;
  • of bewoners het systeem correct gebruiken;
  • of er vocht-, schimmel- of luchtkwaliteitsproblemen zijn.

In de praktijk staan ventilatiesystemen regelmatig uit en houden bewoners roosters dicht. Vaak weten zij niet welke gevolgen dat heeft. Geef daarom niet alleen technisch advies, maar leg ook uit hoe en waarom bewoners moeten ventileren.

Beoordeling van het ventilatiesysteem

VentilatiesysteemStatus in de toolAdvies
Natuurlijke ventilatie (type A)Actie nodigOnderzoek de overstap naar mechanische ventilatie
Mechanische afzuiging (type C1)Actie aanbevolenVerbeter het systeem bij voorkeur naar vraagsturing, type C4, of WTW
CO₂-gestuurde ventilatie (type C4)KlaarGeen directe maatregel nodig
Balansventilatie met WTW, centraal of decentraal (type D)KlaarGeen directe maatregel nodig

Knop 4 – Afgiftevermogen

Radiatoren, convectoren, vloer- of wandverwarming moeten voldoende warmte kunnen afgeven bij een lage aanvoertemperatuur.

Een radiator geeft warmte af aan de ruimte. Het beschikbare vermogen hangt vooral af van:

  • het oppervlak van de radiator;
  • het type radiator;
  • het temperatuurverschil tussen het verwarmingswater en de ruimte;
  • de doorstroming en de waterzijdige inregeling.

Bij een hoge watertemperatuur kan een relatief kleine radiator voldoende warmte afgeven. Bij een lagere aanvoertemperatuur is meestal een groter afgifteoppervlak nodig. Vloer- en wandverwarming zijn ontworpen voor lage temperaturen.

Ook bestaande radiatoren kunnen geschikt zijn of geschikt worden gemaakt, bijvoorbeeld door radiatorventilatoren te plaatsen, de doorstroming te verbeteren en/of radiatoren waterzijdig in te regelen. Als ze nog altijd onvoldoende warmte afgeven, kun je ze vervangen door grotere radiatoren of LT-convectoren.

Verschillende typen radiatoren

Eerste beoordeling

Loop tijdens het woningbezoek door de woning en noteer:

  • welke radiatoren aanwezig zijn;
  • waar zij hangen;
  • hoe groot ze zijn;
  • welk type het betreft;
  • welke vertrekken moeilijk warm worden.

Radiatortypen verschillen in het aantal platen en convectorlamellen. Type 10 en type 11 leveren bij lage temperaturen vaak onvoldoende vermogen. Bij andere typen bepalen vooral het formaat en de warmtevraag van de ruimte of de radiator geschikt is.

Airco’s met split-units laat deze beoordeling buiten beschouwing. Zij verwarmen vooral de lucht en doen dat vaak plaatselijk of tijdelijk. Daarmee tonen zij niet aan dat de hele woning bij een constante binnentemperatuur comfortabel met een laagtemperatuursysteem kan worden verwarmd.

De verwarmingstest

De verwarmingstest geeft de betrouwbaarste eerste indicatie van het afgiftevermogen.

Stel de cv-ketel in op een aanvoertemperatuur van 50 °C en controleer of de woning gedurende een koude periode comfortabel warm blijft. Voer de test bij voorkeur uit wanneer de gemiddelde buitentemperatuur over een etmaal lager is dan 5 °C.

De woning beschikt waarschijnlijk over voldoende afgiftevermogen wanneer:

  • de belangrijkste vertrekken een temperatuur van 19 tot 21 °C bereiken;
  • de temperatuur stabiel blijft;
  • bewoners geen aanvullende verwarming nodig hebben.

Blijft de woning alleen warm bij een aanvoertemperatuur van 55 tot 60 °C of hoger, onderzoek dan welke verbetering nodig is. Denk aan radiatorventilatoren, grotere radiatoren, LT-convectoren, extra afgifteoppervlak of een verlaging van de warmtevraag.

Zie bijlage G voor de volledige werkwijze van de verwarmingstest.

Knop 5 – Gedrag en gebruik

Gedrag is de vijfde knop, die bepalend is voor het energieverbruik en het comfort in huis. Hier hebben de bewoners een grote invloed op.

Veel bewoners zijn gewend aan pulsverwarming: zij zetten de verwarming bij thuiskomst hoog en schakelen deze bij vertrek of voor het slapen weer uit. Bij een warmtepomp werkt dit averechts en leidt dit tot een hogere energierekening.

Passend gedrag bij een laagtemperatuursysteem betekent:

  • een zo constant mogelijke binnentemperatuur van 19 tot 20 °C;
  • alle radiatoren in het leefgebied openzetten;
  • ramen dichthouden in ruimten waar bewoners niet verblijven;
  • optimaal ventileren via het aanwezige ventilatiesysteem.

Bewustwording en uitleg zijn hierbij essentieel. Gedragsverandering kost tijd, maar heeft direct invloed op het comfort en de energierekening.

Technische tabellen voor isolatie en glas

De volgende tabellen geven een praktische indicatie voor de eerste beoordeling van de isolatie.

DakisolatieIndicatie Rc-waardeKwalificatieStatus / maatregel
Voor 1975, 0-3 cm0,2 (m²K/W)Geen / slechtActie nodig: urgent isoleren.
1975-1981, 3-8 cm1,3 (m²K/W)MatigActie nodig: gewenst.
1982-1991, 8-14 cm2,7 (m²K/W)RedelijkIn principe voldoende; bij renovatie eventueel verbeteren.
1992-2013, 14-21 cm4,0 (m²K/W)GoedIn principe voldoende.
2014 en later, >21 cm6,0 (m²K/W)Zeer goedIn principe voldoende.
VloerisolatieIndicatie Rc-waardeKwalificatieStatus / maatregel
Vloer op grondslag--Klaar; geen kruipruimte aanwezig.
Voor 1982, 0-3 cm0,2 (m²K/W)Geen / slechtActie nodig: urgent isoleren.
1982-1991, 4-8 cm1,3 (m²K/W)MatigActie nodig: gewenst.
1992-2013, 9-13 cm2,7 (m²K/W)RedelijkIn principe voldoende; bij renovatie eventueel verbeteren.
2014 en later, 14-18 cm3,5 (m²K/W)GoedIn principe voldoende.
Zeer goed geïsoleerd5,0 (m²K/W) of hogerZeer goedIn principe voldoende.
GevelisolatieIndicatie Rc-waardeKwalificatieStatus / maatregel
Massieve muur, geen spouw--Actie nodig: buiten- of binnenisolatie gewenst.
Voor 1982, spouwmuur 0-3 cm0,4 (m²K/W)Geen / slechtActie nodig: urgent spouw na-isoleren.
1982-1991, 5-8 cm1,8 (m²K/W)MatigIn principe voldoende; bij renovatie eventueel verbeteren.
1992-2013, 9-13 cm2,6 (m²K/W)RedelijkIn principe voldoende; bij renovatie eventueel verbeteren.
2014 en later, 14-17 cm3,5 (m²K/W)GoedIn principe voldoende.
Zeer goed geïsoleerd4,5 (m²K/W) of hogerZeer goedIn principe voldoende.
GlasIndicatie U-waardeKwalificatieStatus / maatregel
Enkel glas>= 5,6 (W/m²K)Geen / slechtActie nodig: vervangen door HR++ of triple glas.
Gewoon dubbel glas2,8-3,2 (W/m²K)MatigIn principe voldoende; bij vervanging naar HR++ of triple.
HR++ glas<= 1,6 (W/m²K)GoedIn principe voldoende.
Triple glas<= 0,8 (W/m²K)Zeer goedIn principe voldoende.

Bron en toelichting: indicatieve waarden, gebaseerd op gangbare isolatiewaarden per bouwperiode, Milieu Centraal en de RVO-standaard en streefwaarden voor woningisolatie. De feitelijke waarde en passende maatregel verschillen per woning. Controleer materiaal, dikte, uitvoering en eventuele na-isolatie.

Praktijkvoorbeeld: Duizend lekchecks in Drimmelen

Bijlage G — Instrumenten: tool, gesprek, test en nazorg

De negen vragen van de GasvrijCheck / LT-gereedtool

VraagWaar gaat het om?
1. BouwjaarBepaalt welke vervolgvragen relevant zijn en geeft een eerste indicatie van de bouwkundige uitgangssituatie.
2. Isolatie dakIs het dak geïsoleerd en zo ja, in welke mate?
3. Isolatie vloerIs de vloer geïsoleerd en is er een kruipruimte aanwezig?
4. Isolatie gevelIs de gevel geïsoleerd, bijvoorbeeld via spouwmuurisolatie, binnenisolatie of buitenisolatie?
5. Isolatie ramen leefruimtenWelk glas zit er in de belangrijkste leefruimten?
6. Isolatie ramen slaapkamersWelk glas zit er in de slaapkamers?
7. KierdichtingHoe tochtvrij is de woning?
8. VentilatiesysteemNatuurlijke ventilatie, mechanische ventilatie, CO2-gestuurd of balansventilatie met warmteterugwinning.
9. MeterkastIs de woning aangesloten op één fase of drie fasen?

Na afloop kan de uitkomst van een verwarmingstest worden toegevoegd: blijft de woning comfortabel warm bij 50, 55 of pas bij 60 °C en hoger?

Gespreksleidraad keukentafelgesprek

  1. Start met de vraag wat de bewoner nodig heeft om een volgende stap te kunnen zetten.
  2. Bespreek comfort, tocht, ventilatie, warmtapwater, gedrag en zorgen voordat maatregelen worden besproken.
  3. Gebruik GasvrijCheck, lekcheck of visuele inspectie als gespreksbasis.
  4. Werk van grof naar fijn: eerst grote warmtelekken en haalbare stappen, daarna detailadvies.
  5. Benut natuurlijke momenten zoals dak, glas, schilderwerk, verbouwing, radiatorvervanging of installatiemoment.
  6. Maak een routekaart: wat kan nu, wat later, welke ondersteuning is nodig en wie volgt op?

Instructie verwarmingstest

  • Voer de test bij voorkeur uit in de winter, op dagen met een gemiddelde etmaaltemperatuur onder 5 °C.
  • Verlaag tijdelijk de aanvoertemperatuur van de hr-ketel naar 50 °C.
  • Houd een constante temperatuur van 19 tot 20 °C aan.
  • Zet radiatoren in het leefgebied open en blokkeer ze niet met meubels of gordijnen.
  • Gebruik geen pulsverwarming.
  • Ventileer via het ventilatiesysteem.
  • Tapwater blijft minimaal 60 °C vanwege legionellapreventie.

Interpretatie van de test

UitkomstVervolg
Woning blijft comfortabel warm bij 50 °CWoning is waarschijnlijk geschikt voor lage-temperatuurverwarming. Bespreek vervolg richting duurzame warmtebron en verdere optimalisatie.
Woning blijft warm bij 55 of 60 °CWoning is kansrijk, maar vraagt mogelijk verbetering van kierdichting, isolatie, afgiftesysteem of inregeling.
Woning wordt onvoldoende warmKijk eerst naar eenvoudige acties: radiatoren stofvrij, radiatoren open, waterzijdig inregelen, radiatorventilatoren, kierdichting. Daarna grotere maatregelen afwegen.

Hybride warmtepomp als tussenstap

Niet elke woning is direct klaar voor volledig aardgasvrij verwarmen. Sommige woningen hebben nog een hogere aanvoertemperatuur nodig dan 50 °C. Dat betekent niet dat er niets kan gebeuren. Een hybride warmtepomp kan in zulke situaties een tussenstap zijn. Deze werkt samen met de bestaande cv-ketel. De warmtepomp levert het grootste deel van de warmte; de cv-ketel springt bij op koude dagen en zorgt meestal voor warm tapwater.

Afhankelijk van de woning, installatie en het gebruik kan het aardgasverbruik voor verwarming sterk dalen, in gunstige situaties tot wel 70%. Het elektriciteitsverbruik neemt daarbij wel toe.

Een hybride oplossing is geen eindbeeld, maar kan passen in een stapsgewijze aanpak. Ondertussen kan de woning verder worden verbeterd en voorbereid op een latere overstap naar volledig elektrisch verwarmen of een andere duurzame warmteoplossing. Voor die overstap blijft een aanvoertemperatuur van 50 °C het richtpunt.

Tochttrein en lekcheck

Met een tochttrein gaan begeleiders in een straat of buurt langs meerdere woningen. Samen met bewoners zoeken zij naar naden, kieren en andere plekken waar warmte verloren gaat. Zo wordt snel zichtbaar waar tocht ontstaat en welke kleine maatregelen direct verschil kunnen maken.

Bij een lekcheck kijkt de begeleider naar de woning, bespreekt tochtklachten en gebruikt zo nodig een blowerdoorapparaat. Daarna krijgt de bewoner concrete adviezen, bijvoorbeeld over kierdichting, het herstellen van aansluitingen of aanvullend bouwkundig onderzoek.

Wanneer bij vergelijkbare woningen dezelfde problemen terugkomen, kan de gemeente daarvan een gezamenlijke actie maken, bijvoorbeeld met gerichte inkoop of een klusteam.

Praktijkvoorbeeld: Waakvlam kost 400 kuub gas

Bijlage H — Voorbeeldwoningen per bouwperiode

Een straat met verschillende woningtypen; mensen in gesprek tijdens een wijkwandeling.

Deze bijlage is gebaseerd op de uitwerking van “typische jaren ’XX-woningen” door Lars Boelen. De informatie wordt in deze werkwijze op drie manieren gebruikt: als hulpmiddel bij de analyse van de wijk, als brug van woning naar wijk en als praktische bijlage met voorbeeldwoningen per bouwperiode.

De voorbeelden zijn bedoeld als geheugensteun bij wijkanalyse, wijksafari en keukentafelgesprek. Ze helpen om sneller te herkennen welke bouwkundige en installatietechnische aandachtspunten in een straat of buurt waarschijnlijk relevant zijn. Gebruik ze niet als harde typologie of als individueel woningadvies. Elke woning is anders door verbouwingen, onderhoud, eerdere isolatiemaatregelen, installatiewijzigingen en bewonersgebruik. De feitelijke woning blijft altijd leidend: kijk naar de feitelijke woning, bespreek het gebruik met de bewoner en toets waar nodig met een lekcheck, GasvrijCheck of verwarmingstest.

Typisch jaren ’30

Originele details, rode baksteen en erkertjes

Let vooral op de kwaliteit van eerdere na-isolatie, de staat van het dak, kieren bij dak en kozijnen, oud leidingwerk en oudere radiatoren. Kozijnen kunnen ondanks hun leeftijd nog in redelijke staat zijn, mede door overstekende dakgoten, maar glas en kierdichting vragen vaak aandacht. Bij deze woningen is maatwerk belangrijk, omdat eerdere renovaties sterk kunnen verschillen.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereed makenOpm. Coach:
Vloeren benedenDeels beton op zand, deels houten vloerGroot
Vloeren etage en zolderHout; let op balkkoppen en kierenBeperkt tot groot
GevelsTrasraam, kleine spouw van circa 40 mmBeperkt
KozijnenVaak grenenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasOorspronkelijk enkel glas of glas-in-lood; nu vaak mengelmoesGroot
DakbeschotKraaldelenGroot
Infiltratie/kierenVooral bij dak en draaiende delen; vaak hout-op-houtZeer groot
VentilatiewijzeKlepraampjes, natuurlijke ventilatieGroot
Opstelplaats ketelDivers; vaak relatief veel ruimteBeperkt
Leidingwerk verwarmingVaak gelast staalOnderhoudsvraag
Afgifte warmteKolom- of ledenradiatoren, als ze nog aanwezig zijnGroot
HoofdaansluitingVaak 1 x 25A of 1 x 35ABeperkt, vooral bij 1 x 25A
GroepenkastVaak oudere of keramische stoppenOnderhoudsvraag

Veelvoorkomende vraagstukken

Let vooral op de kwaliteit van eerdere na-isolatie, de staat van het dak, kieren bij dak en kozijnen, oud leidingwerk en oudere radiatoren. Kozijnen kunnen ondanks hun leeftijd nog in redelijke staat zijn, mede door overstekende dakgoten, maar glas en kierdichting vragen vaak aandacht. Bij deze woningen is maatwerk belangrijk, omdat eerdere renovaties sterk kunnen verschillen.

Typisch jaren ’40

Sober gebouwd door materiaalgebrek na de oorlog

Het houten dakbeschot kan relatief veel kieren hebben. Ook matig voegwerk komt voor. Net als bij jaren ’30-woningen is de staat van eerdere renovaties bepalend. Let goed op glas, dak, kierdichting, leidingwerk en elektrische aansluiting.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenDeels beton op zand, deels houten vloerGroot
Vloeren etage en zolderHout; let op balkkoppen en kierenBeperkt tot groot
GevelsTrasraam, kleine spouw van circa 40 mmBeperkt
KozijnenGrenen of vurenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasOorspronkelijk enkel glas of glas-in-lood; nu vaak mengelmoesGroot
DakbeschotPlankenGroot
Infiltratie/kierenVooral bij dak en draaiende delen; vaak hout-op-houtZeer groot
VentilatiewijzeKlepraampjes, natuurlijke ventilatieGroot
Opstelplaats ketelDivers; vaak relatief veel ruimteBeperkt
Leidingwerk verwarmingVaak gelast staalOnderhoudsvraag
Afgifte warmteKolom- of ledenradiatorenGroot
HoofdaansluitingVaak 1 x 25A of 1 x 35ABeperkt, vooral bij 1 x 25A
GroepenkastVaak oudere of keramische stoppenOnderhoudsvraag

Typisch jaren ’50

De sfeer van vroeger — echte ‘huisje-huizen’

Oud leidingwerk en oudere radiatoren komen vaak voor. De ketel hangt geregeld op de bergzolder. Let ook op dak, glas, kierdichting en de kwaliteit van eerdere renovaties. In sommige woningen komen zachtboard plafonds voor. Vrijstaande varianten zijn soms al vergaand gerenoveerd; na zo’n ingreep kunnen ze veel geschikter zijn voor lage temperatuurverwarming.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenDeels beton op zand, deels houten vloerGroot
Vloeren etage en zolderHout; let op balkkoppen en kierenBeperkt tot groot
GevelsTrasraam, kleine spouw van circa 40 mmBeperkt
KozijnenGrenen of vurenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasOorspronkelijk enkel glas; nu vaak mengelmoesGroot
DakbeschotPlankenGroot
Infiltratie/kierenVooral bij dak en draaiende delen; vaak hout-op-houtZeer groot
VentilatiewijzeKlepraampjes, natuurlijke ventilatieGroot
Opstelplaats ketelDivers; vaak relatief veel ruimteBeperkt
Leidingwerk verwarmingVaak gelast staalOnderhoudsvraag
Afgifte warmteKolom- of ledenradiatorenGroot
HoofdaansluitingVaak 1 x 25A of 1 x 35ABeperkt, vooral bij 1 x 25A
GroepenkastVaak oudere of keramische stoppenOnderhoudsvraag

Typisch jaren ’60

Doorbraak van de doorzonwoning en het aardgas

Let op betonrot, koudebruggen, asbestverdachte materialen en ventilatievraagstukken. De koudebruggen zijn niet altijd eenvoudig op te lossen; beoordeel per woning hoe groot het probleem werkelijk is. Door het ontbreken van geforceerde ventilatie kunnen ventilatie en binnenmilieu belangrijke aandachtspunten zijn.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenBeton, met of zonder kruipruimteGroot
Vloeren etage en zolderBetonGeen
GevelsKleine spouw van circa 60 mmBeperkt
KozijnenVaak vurenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasOorspronkelijk enkel glas; nu vaak mengelmoesGroot
DakbeschotPlaatmateriaalGroot
Infiltratie/kierenDak en draaiende delen; hout-op-hout of soms tochtstripsZeer groot
VentilatiewijzeKlepraampjes, natuurlijke ventilatieGroot
Opstelplaats ketelDivers; vaak relatief veel ruimteBeperkt
Leidingwerk verwarmingVaak gelast staalOnderhoudsvraag
Afgifte warmteKolom- of ledenradiatorenGroot
HoofdaansluitingVaak 1 x 25A of 1 x 35ABeperkt, vooral bij 1 x 35A
GroepenkastVaak oudere of keramische stoppenOnderhoudsvraag

Typisch jaren ’70

Oliecrisis: energiezuinig wonen komt op

Deze woningen hebben vaak al iets van isolatie en soms ventilatie, maar de kwaliteit en staat daarvan verschillen. Dat maakt renovatie soms ingewikkelder: je moet rekening houden met wat er al is. Verrassingen zoals asbest in buizen of dakplaten kunnen voorkomen. Ventilatievraagstukken komen vaak terug.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenBeton met een paar centimeter isolatieGroot
Vloeren etage en zolderBetonGeen
GevelsSpouw circa 70 mm met circa 40 mm isolatieBeperkt
KozijnenVaak vurenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasBeneden vaak dubbel glas, boven vaak enkel glasGroot
DakbeschotPlaatmateriaal met een beperkte isolatielaagGroot
Infiltratie/kierenDak en draaiende delen met tochtstripsBeperkt
VentilatiewijzeKlepraampjes, soms mechanische ventilatieGroot
Opstelplaats ketelVaak zolderBeperkt
Leidingwerk verwarmingStaal of koperOnderhoudsvraag
Afgifte warmtePlaatradiatoren type 10/11/20Beperkt
HoofdaansluitingVaak 1 x 35ABeperkt
GroepenkastVaak oudere of keramische stoppenOnderhoudsvraag

Typisch jaren ’80

De bloemkoolwijk met woonerven en experimenten

Let op ingewikkelde dakvormen, zoals skidaken, en kieren langs dakplaten. Dubbelglas met roosters roept de vraag op wat verstandig is bij vervanging door HR++ glas. Ondanks mechanische ventilatie wordt vaak onvoldoende geventileerd, bijvoorbeeld doordat de ventilator uit staat of slecht functioneert.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenBeton met isolatieBeperkt
Vloeren etage en zolderBetonGeen
GevelsSpouw circa 70-90 mm met circa 40-60 mm isolatieBeperkt
KozijnenVaak vurenGroot - kozijnen vaak niet geschikt voor HR++ glas
GlasBeneden dubbelglas met roosters, boven vaak enkel glasGroot
DakbeschotIntroductie sandwichpanelenBeperkt, maar vaak kieren langs platen
Infiltratie/kierenDak en draaiende delen met tochtstripsBeperkt
VentilatiewijzeWoonhuisventilator, systeem CBeperkt
Opstelplaats ketelVaak zolderBeperkt
Leidingwerk verwarmingDunwandig staalBeperkt
Afgifte warmtePlaatradiatorenBeperkt
HoofdaansluitingVaak 1 x 35ABeperkt
GroepenkastModernere kasten met zekeringautomatenBeperkt

Typisch jaren ’90

Ventilatie wordt standaard onderdeel

Deze woningen zijn, mits voldoende kiervrij gemaakt, vaak al goed met lage aanvoertemperaturen te verwarmen. Een upgrade naar HR++ glas en verbetering van ventilatie kunnen de warmtevraag verder verlagen. Let ook op de eerste grote onderhoudsmomenten, omdat die natuurlijke kansen bieden voor verbetering.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenBeton met isolatieBeperkt
Vloeren etage en zolderBetonGeen
GevelsSpouw circa 70-90 mm met circa 60-80 mm isolatieBeperkt
KozijnenVaak vurenBeperkt
GlasIntroductie van isolatieglas, vaak HRBeperkt
DakbeschotSandwichpanelenBeperkt, maar vaak kieren langs platen
Infiltratie/kierenDak en draaiende delen met tochtstripsBeperkt
VentilatiewijzeWoonhuisventilator, systeem C; soms ventilatie met warmteterugwinning (WTW)Beperkt
Opstelplaats ketelWaar het past, vaak in een hoekjeBeperkt
Leidingwerk verwarmingDunwandig staalBeperkt
Afgifte warmtePlaatradiatoren, vaak type T22Beperkt
Hoofdaansluiting1 x 35A of 3 x 25AGeen
GroepenkastModernere kastenBeperkt

Typisch jaren ’00

Deze woningen voelen vaak nog relatief nieuw, maar het eerste onderhoudsrondje komt in beeld. Controleer ventilatie, inregeling, afgiftesysteem en kieren langs dakplaten. Juist natuurlijke onderhoudsmomenten kunnen geschikt zijn om de woning verder te optimaliseren richting lagere aanvoertemperaturen.

Onderdeel woningTyperingImpact op LT-gereedOpm. Coach:
Vloeren benedenBeton met voldoende isolatieGeen
Vloeren etage en zolderBetonGeen
GevelsSpouw 100+ mm met 80+ mm isolatieBeperkt
KozijnenVuren of kunststofBeperkt
GlasIsolatieglas, vaak HR+ of HR++Beperkt
DakbeschotSandwichpaneelBeperkt, maar vaak nog kieren langs platen
Infiltratie/kierenDak en draaiende delen met tochtstripsBeperkt
VentilatiewijzeWoonhuisventilator, systeem C; soms ventilatie met warmteterugwinning (WTW)Beperkt
Opstelplaats ketelWaar het past, vaak compact weggewerktBeperkt
Leidingwerk verwarmingDunwandig staalBeperkt
Afgifte warmtePlaatradiatoren, vaak type T22Beperkt
Hoofdaansluiting1 x 35A of 3 x 25AGeen
GroepenkastModernere kastenBeperkt

Veelvoorkomende vraagstukken

Deze woningen voelen vaak nog relatief nieuw, maar het eerste onderhoudsrondje komt in beeld. Controleer ventilatie, inregeling, afgiftesysteem en kieren langs dakplaten. Juist natuurlijke onderhoudsmomenten kunnen geschikt zijn om de woning verder te optimaliseren richting lagere aanvoertemperaturen.

Gebruik bij wijksafari en keukentafelgesprek

Gebruik deze voorbeeldwoningen om sneller en gerichter te kijken. Stel bij een wijksafari of keukentafelgesprek steeds dezelfde vier vragen:

  1. Wat klopt met het voorbeeldtype? Kijk naar bouwjaar, woningtype, dak, gevel, glas, ventilatie, radiatoren en meterkast.
  2. Wat wijkt af door renovatie of onderhoud? Veel woningen zijn in de loop van de tijd aangepast. Eerdere verbouwingen bepalen vaak meer dan het oorspronkelijke bouwjaar.
  3. Welke knoppen zijn waarschijnlijk bepalend? Denk aan kierdichting, isolatie, ventilatie, afgiftevermogen en gedrag/gebruik.
  4. Welke stap is logisch en haalbaar? Begin bij maatregelen die effect hebben én passen bij de woning, de bewoner en het natuurlijke moment.

Nota bene

Dit overzicht is gebaseerd op praktijkkennis en bedoeld als geheugensteun bij wijkwandelingen, wijkanalyses en gesprekken over typische woningen per bouwperiode. Het is niet bedoeld als complete of volledig accurate typologie. Zie het als inspiratie en als eerste beeld. De feitelijke woning, eerdere verbouwingen, onderhoudsstaat en het gebruik door bewoners blijven altijd leidend.

Bijlage I — Bronnen en verdiepende verwijzingen

Voor meer verdieping en achtergronden wijzen we je graag op de volgende bronnen:

Bron / verwijzingRelevantie
Energiewerkplaats BrabantPlatform voor professionals in de Brabantse energietransitie; kennis delen, samenwerken en elkaar vinden.
Sociale Innovatie Energietransitie (SIE)Programma van provincie Noord-Brabant en Enpuls BV dat werkenderwijs kennis ontwikkelt over manieren om Brabanders te betrekken bij de energietransitie.
Energiecoaches West-BrabantRelevant voor kennisuitwisseling, opleiding en professionalisering van energiecoaches.
Energie A16 WegwijzerBron voor de bewonersreis en lokale aanpak.
NPLWDe Doenvermogentoets Warmtetransitie van NPLW helpt om plannen te toetsen op haalbaarheid voor verschillende doelgroepen.
RVO - Standaard en streefwaarden woningisolatieRelevant als bestaand kader waarmee LT-gereed in relatie kan worden gebracht.
Milieu CentraalPraktische bewonersinformatie over isolatie, ventilatie, warmtepomp en energiebesparing.
Huisfluisteraar / Lars BoelenBron en inspiratie voor de voorbeeldwoningen per bouwperiode.
Onderdeel

Colofon nog aan te vullen

De Praktische werkwijze LT-gereed is tot stand gekomen op basis van jarenlange ervaring en is opgesteld in samenwerking met een team van ervaringsdeskundigen: Tessa van Reeven, Maaike Wolfs, Wouter van den Acker, Derk Hueting, Lars Boelen, Ruud Megens, Martijn Messing, Menno Schreuders en Joris van Boxtel. Eindredactie: Erik van Stokkom (Ekiep)

Deze praktische werkwijze is ontwikkeld binnen het programma Sociale Innovatie in Energie 2 en mede mogelijk gemaakt door Provincie Noord-Brabant, Buurkracht en de gemeenten Breda, Drimmelen, Laarbeek, Land van Cuijk, Meierijstad, Moerdijk, Veldhoven, Waalwijk en Zundert.